3. Het bestreden besluit
Bij het thans bestreden besluit is, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.
Een in het Wet BIG-register voor fysiotherapeuten opgenomen fysiotherapeut is tevens orgaan van gezondheidszorg in de zin van de Wet. In die hoedanigheid valt een Wet BIG-geregistreerde fysiotherapeut binnen de reikwijdte van de Wet en is hij gehouden maximaal de door verweerder goedgekeurde of vastgestelde tarieven in rekening te brengen. Voorts is van belang dat de Wet wordt gekenmerkt door een orgaangerichte benadering en niet door een prestatiegerichte benadering, hetgeen tot gevolg heeft dat alle "gezondheidsprestaties" van organen van gezondheidszorg door verweerder worden getarifeerd.
Manuele therapie volgens de methode Van der Bijl is niet een van de reikwijdte van de Wet uitgezonderde prestatie, zodat de in het Wet BIG-register ingeschreven fysiotherapeuten, waaronder appellant, ook voor deze vorm van therapie uitsluitend het voor manuele therapie vastgestelde maximumtarief in rekening mogen brengen. Deze gehoudenheid gold ook voor eerdere jaren. Weliswaar is in de aantekening bij de bestreden tariefbeschikking uitsluitend de Van der Bijlmethode vermeld, maar hiermee is niet beoogd aan te geven dat andere vormen van manuele therapie niet onder het desbetreffende tarief vallen. Voor alle vormen van manuele therapie die door fysiotherapeuten worden verricht, gold en geldt het hogere zittingentarief van ƒ 58,95 per patiënt. Het opnemen van evenbedoelde aantekening vindt zijn grondslag in de slepende discussie over de manuele therapie volgens de Van der Bijlmethode.
Aangezien de strafvonnissen van de Economische politierechter te Zwolle en te Den Haag, waarnaar in bezwaar is verwezen, (deels) betrekking hebben op de periode vóór de inwerkingtreding van de Wet BIG, zijn deze vonnissen in de onderhavige kwestie niet relevant. Immers, de in die zaken relevant geachte omstandigheid dat fysiotherapeuten er niet voor konden kiezen om onder het regime van de Wet te vallen, doet zich sinds de inwerkingtreding van de Wet BIG niet meer voor: sindsdien hebben fysiotherapeuten de keuzevrijheid om ingeschreven te zijn in het Wet BIG-register en daarmee de keuzevrijheid om als orgaan voor gezondheidszorg onderworpen te zijn aan de Wet.
Wat betreft de hoogte van het tarief is rekening gehouden met het feit dat een zitting manuele therapie volgens de Van der Bijlmethode langer duurt dan een reguliere zitting. In het verleden is juist deze vorm van manuele therapie aanleiding geweest om het hogere tarief van 1,5 keer het reguliere tarief voor fysiotherapie vast te stellen.
Wat betreft de toepasselijkheid van het tarievenstelsel van de Wet tussen enerzijds manueel therapeuten die niet tevens als fysiotherapeut zijn geregistreerd in het desbetreffende Wet BIG-register en die derhalve geen orgaan voor gezondheidszorg zijn in de zin van de Wet en anderzijds manueel therapeuten die wel tevens als fysiotherapeut in dat register zijn ingeschreven, is terug te voeren op bewuste keuzes van de wetgever om fysiotherapeuten wel en manueel therapeuten niet onder het regime van zowel de Wet als de Wet BIG te brengen.
Hieraan heeft verweerder bij zijn verweerschrift en ter zitting, samengevat weergegeven, nog het volgende toegevoegd.
Het bij de bestreden tariefbeschikking vastgestelde maximumtarief voor manuele therapie komt, materieel gezien, overeen met hetgeen de VVF en ZN/KPZ destijds op dat punt hebben voorgesteld. In dit hogere maximumtarief is tot uitdrukking gebracht dat per dag gemiddeld minder zittingen manuele therapie dan zittingen fysiotherapie kunnen plaatsvinden. Vanaf 1994 wordt in de beleidsregels en tariefbeschikkingen voor fysiotherapeuten al voorzien in maximumtarieven voor manuele therapie.
Van de bij brief van 19 augustus 1999 geboden mogelijkheid om ideeën kenbaar te maken over een herijking en/of differentiatie van het vigerende tarief manuele therapie voor fysiotherapeuten, heeft de VMT tot op heden geen gebruik gemaakt.