ECLI:NL:CBB:2002:AE2877

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
7 mei 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/61
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • D. Roemers
  • C.M. Wolters
  • M.J. Kuiper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Verordening (EEG) nr. 804/68Art. 38 Verordening (EG) nr. 1255/99Art. 92 lid 2 EEG-VerdragArt. 87 lid 1 EG-VerdragLandbouwkwaliteitswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening onderzoek naar prijsverevening en steunmaatregelen in zuivelmarkt

De zaak betreft kortingen op de prijs van boerderijmelk geleverd door appellant aan een zuivelfabriek. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft het onderzoek ter zitting op 15 februari 2002 gevoerd, maar constateert dat het onderzoek niet volledig is geweest.

De kern van het geschil is of de uitbetalingsregeling, waarbij kwaliteitsverschillen in melk worden verrekend via kortingen en toeslagen, valt onder het verbod op prijsverevening en steunmaatregelen zoals bepaald in artikel 24 van Pro Verordening (EEG) nr. 804/68 en het EEG-Verdrag. Dit is niet onderzocht in de eerdere procedure.

Het College acht het noodzakelijk dat partijen zich schriftelijk uitlaten over de vraag of de regeling een verboden verevening van prijzen inhoudt, of dat het een steunmaatregel betreft die aan de Europese Commissie had moeten worden gemeld. Tevens moet worden onderzocht of de regeling de werking van de prijsregeling binnen de gemeenschappelijke zuivelmarkt in gevaar brengt.

Daarom wordt het onderzoek heropend en voortgezet, waarbij partijen binnen een door de griffier te bepalen termijn schriftelijk kunnen reageren op de gestelde vragen.

Uitkomst: Het onderzoek wordt heropend en partijen krijgen de gelegenheid schriftelijk te reageren op vragen over prijsverevening en staatssteun.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
No.AWB 01/61 7 mei 2002
17110 Landbouwkwaliteitswet
Landbouwkwaliteitsbesluit rauwe melk en zuivelbereiding
Beschikking in de zaak van:
A, te B, appellant,
gemachtigde: mr ing. A.E. Noordhuis, juridisch adviseur te H,
tegen
het Productschap Zuivel, te Rijswijk, verweerder,
gemachtigden: mr A.C.R. Geelen en mr G.W.P.A. van Schijndel, beiden werkzaam bij verweerder.
1. De zaak betreft kortingen die zijn ingehouden op de prijs van boerderijmelk, geleverd door appellant aan de Zuivelfabriek De Kievit B.V. te Meppel.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2002 en is vervolgens gesloten, waarna de voorzitter heeft medegedeeld dat in beginsel zes weken na de zitting uitspraak zal worden gedaan.
Het College is echter tot de conclusie gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest op grond van de volgende overwegingen.
2. Bij artikel 24 van Pro Verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (thans, na consolidatie van tekstwijzigingen, artikel 38 van Pro Verordening (EG) nr. 1255/99) is het volgende bepaald:
" Artikel 24
1. Behoudens het bepaalde in artikel 92, lid 2, van het Verdrag is die steun verboden waarvan het bedrag wordt vastgesteld in verhouding tot de prijs of de hoeveelheid van de in artikel 1 bedoelde Pro produkten.
2. Eveneens verboden zijn die nationale maatregelen waardoor een verevening van de prijzen van de in artikel 1 bedoelde Pro produkten mogelijk is."
Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is onverenigbaar met de gemeenschappelijke ordening van een landbouwmarkt het eenzijdig, nationaal ingrijpen in de prijsvorming, zodra dit de doelstellingen en de werking van deze ordening en met name van haar prijsregeling in gevaar brengt.
Ingevolge verweerders "Landbouwkwaliteitsverordening 1994, Uitbetaling van boerderijmelk naar kwaliteit", per 1 januari 2000 vervangen door verweerders "Zuivelverordening 2000, Uitbetaling van boerderijmelk naar kwaliteit, samenstelling en gewicht", dient de ontvanger naar gelang van de kwaliteit van de hem geleverde boerderijmelk op de prijs die hij hiervoor aan de betrokken melkveehouder betaalt, een korting in te houden, dan wel een kwaliteitstoeslag te betalen. Het totaalbedrag aan betaalde kwaliteitstoeslagen is per regio gelijk aan het totaalbedrag aan ingehouden kortingen.
3.1 Of deze uitbetalingsregeling is aan te merken als een "verevening van de prijzen" in de zin van artikel 24, tweede lid, van Verordening (EEG) 804/68, is niet onderworpen geweest aan het onderzoek in deze zaak. Voor onderzoek is aanleiding indien onder "verevening" mede is te begrijpen het onderling verrekenen van kwaliteitsverschillen door deze in de prijzen voor de verschillende producenten tot uitdrukking te brengen, zoals bepaald bij verweerders verordeningen.
3.2 Evenmin is aan de orde geweest of kwaliteitstoeslagen, bekostigd uit de door appellant bestreden kortingen, een steunmaatregel vormen in de zin van artikel 24, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 804/68 en/of van artikel 92 , eerste lid, van het EEG-Verdrag (thans: artikel 87, eerste lid, EG), en zo ja, of de in het geding zijnde uitbetalingsregeling ten tijde van belang aan de Europese Commissie was medegedeeld en onder de regeling voor bestaande steunmaatregelen was komen te vallen.
3.3 Tenslotte acht het College het dienstig dat partijen zich uitlaten over de vraag of de in het geding zijnde uitbetalingsregeling de werking in gevaar brengt van de prijsregeling waarin de gemeenschappelijke ordening van de zuivelmarkt voorziet.
4. Het onderzoek dient derhalve te worden heropend en zal worden voortgezet door partijen in de gelegenheid te stellen zich - binnen een door de griffier mede te delen termijn - schriftelijk uit te laten over de vragen die voortvloeien uit hetgeen hiervoor in rubriek 3 is overwogen, en die aanleiding voor het College kunnen zijn zich tot het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te wenden.
De beslissing
Het College:
- heropent het onderzoek;
- stelt partijen in de gelegenheid zich schriftelijk uit te laten over de vragen die voortvloeien uit hetgeen hiervoor in rubriek 3 is
overwogen.
Aldus gegeven door mr D. Roemers, mr C.M. Wolters en mr M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr R.H.L. Dallinga, als griffier, op 7 mei 2002.
w.g. D. Roemers w.g. R.H.L. Dallinga