3. Het standpunt van appellanten
Appellanten hebben met betrekking tot het rechtskarakter van het Besluit, samengevat weergegeven, het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.
Bij het Besluit zijn concreet, te weten op perceelsniveau, gronden aangewezen als uitspoelingsgevoelige gronden, overige uitspoelingsgevoelige gronden, dan wel zand- en lössgronden. Deze aanwijzing is, wat betreft inhoud en financiële/bedrijfseconomische gevolgen voor de individuele eigenaar/gebruiker, zo concreet, dat het Besluit een algemene strekking ontbeert. Er is dan ook geen sprake van tot een ieder gerichte algemeen verbindende voorschriften, doch van een bundel op zichzelf staande, appellabele beschikkingen.
Het Besluit betreft in feite gebiedsaanwijzingen, een rechtsfiguur die (nog) niet wettelijk is geregeld, doch die in de literatuur wordt onderscheiden van het algemeen verbindend voorschrift. Ter illustratie: ook aanwijzingsbesluiten ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten, waarbij de gemeenteraad bevoegd is verklaard om gebieden aan te wijzen waarop bepaalde artikelen van die wet van toepassing is, zijn appellabel, aldus appellanten.
De omstandigheid dat het hier gaat om aanwijzing van topografische percelen, doet aan de concrete bepaaldheid van de aanwijzing niet af. De topografische percelen zijn zo duidelijk begrensd, dat aan de hand van de daarin passende kadastrale perceelsaanduidingen kan worden aangetoond aan wie de eigendom of andere zakelijke rechten toekomen, zodat eenvoudigweg te bepalen is wie primair belanghebbenden zijn. Aldus is de aanwijzing niet gericht aan een open, in abstracto omschreven groep personen.
Daarnaast blijkt uit de vergelijking met de Wet voorkeursrecht gemeenten dat de ontvankelijkheid niet ligt in de benoeming van de belanghebbende, in die zin dat slechts de in het besluit genoemde belanghebbenden ontvankelijk zijn, maar vooral in de vraag of het besluit op rechtsgevolg is gericht. Het kan dan ook niet zo zijn dat een aanwijzing van (topografische) percelen uitsluit dat deze niet rechtstreeks het belang van de eigenaren van de aangewezen percelen treffen, waarbij moet worden aangetekend dat het belanghebbende-criterium niet alleen wordt bepaald door eigendom of ander zakelijk recht.
In feite betreft het Besluit een uitvoeringsbesluit; bij dit besluit worden immers de normen van de Meststoffenwet op concrete gevallen van toepassing verklaard. Nu het Besluit derhalve een zelfstandige normstelling ontbeert, kan van een samenhangende (gelede) normstelling, in de door de voorzieningenrechter bedoelde zin, ook geen sprake zijn.
Indien wordt aangenomen dat het Besluit niet appellabel is, dan zou tegen de concrete gevolgen daarvan geen rechtsbescherming openstaan, ondanks het feit dat de aanwijzing plaatsvindt op perceelsniveau. Nu de aanwijzing uitsluitend de eigenaar/gebruiker van het aangewezen perceel treft, is dit een volstrekt onaanvaardbare situatie. Immers, omdat verweerder onzorgvuldig te werk is gegaan bij het aanwijzen van uitspoelingsgevoelige gronden en zand- en lössgronden, doet de behoefte aan rechtsbescherming zich juist sterk voelen. De mogelijkheid om de onvolkomenheden van het Besluit ter beoordeling voor te leggen aan de burgerlijke rechter is niet reëel. Ditzelfde geldt voor de verwijzing in de bestreden besluiten om bij gesignaleerde onjuistheden in de kaarten daarover bedenkingen kenbaar te maken bij het mestloket te Assen.
De kaarten die van het Besluit deel uitmaken, zijn uitsluitend via internet en op enkele adressen in Nederland te raadplegen. Deze kaarten zijn niet in het Staatsblad of in de Staatscourant gepubliceerd, zodat niet is voldaan aan de daarvoor geldende bekendmakingsvereisten.