5. De beoordeling
5.1 Met betrekking tot de eerste grief overweegt het College, zoals het reeds heeft gedaan in zijn uitspraak van 5 september 2002 (zaken Awb 00/920 en 00/921, LJN: AE8805), dat ingevolge artikel 44, lid 1, van de Wet op de Registeraccountants de beslissing van de raad van tucht op straffe van nietigheid met redenen dient te zijn omkleed. De motivering moet enerzijds zowel de betrokken accountant als de klager voor de raad van tucht in staat stellen hun rechten te verdedigen en moet anderzijds het College in staat stellen zijn rechterlijk taak te vervullen. Deze verplichting brengt mee dat de raad van tucht moet reageren op de essentie van de klacht, zonder dat evenwel op ieder detail behoeft te worden ingegaan. Appellanten hebben, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, in de procedure voor de raad van tucht geen schriftelijk verweer gevoerd. Uit de notulen van de openbare zitting van de raad van tucht blijkt dat zij aan de hand van een pleitnotitie die aan bedoelde notulen is gehecht, mondeling verweer hebben gevoerd. De bestreden tuchtbeslissing maakt desalniettemin in het geheel geen melding van hetgeen appellanten in eerste instantie te hunner verdediging hebben aangevoerd noch wordt zelfs maar summier op hun verweer gereageerd. Aldus moet worden geconcludeerd dat de bestreden beslissing niet overeenkomstig de eisen van de wet met redenen is omkleed. De eerste grief is derhalve gegrond.
5.2 Met betrekking tot de tweede grief overweegt het College dat de bedoelde passage in de bestreden tuchtbeslissing niet betreft de omschrijving van het doel van het onderzoek - deze is in de bestreden tuchtbeslissing in onderdeel 2 van de rubriek "Vaststaande feiten" opgenomen en deze aanduiding komt overeen met die in het onderzoeksrapport d.d.
21 september 1999 - maar een samenvatting van de klacht zoals die door klager aan de raad van tucht is voorgelegd. Klager heeft ter zitting van het College verklaard geen bedenkingen te hebben tegen de samenvatting van de klacht door de raad van tucht van de klacht.
Van belang is voorts dat het klaagschrift motiveert dat klager, aangezien hij binnen PZH zelfstandig de functie van treasurer bekleedde, direct voorwerp was van het onderzoek van appellanten. Met de samenvatting van de klacht zoals die in de bestreden beslissing is opgenomen heeft de raad van tucht derhalve geenszins de grondslag van de klacht zoals die door klager is verwoord in het klaagschrift d.d. 18 mei 2001, verlaten. Appellanten hebben overigens niet aangevoerd, laat staan gemotiveerd, dat zij door de samenvatting van de klacht in hun recht van verweer zijn geschaad. De tweede grief is derhalve ongegrond.
5.3 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de bestreden tuchtbeslissing moet worden vernietigd. Het College kan gelet op de beschikbare gegevens zelf in de zaak voorzien. Hetgeen door appellanten in hun overige grieven is aangevoerd behoeft als zodanig niet aan de orde te komen maar zal door het College worden betrokken bij de beoordeling van de klacht en het daartegen door appellanten gevoerde verweer.
5.4 Appellanten hebben ter verweer aangevoerd dat hun onderzoek voortijdig is beëindigd. Het onderzoek is niet verder gekomen dan een garing van feiten, die verre van volledig was. Uitdrukkelijk is in het rapport gesteld dat "Van een overtuigend bewijs dat één of meerdere medewerkers van Provincie Zuid-Holland, wellicht tezamen met één of meerdere partijen buiten Provincie Zuid-Holland, zijn betrokken bij onregelmatigheden, is op dit moment geen sprake". Voorts is aangegeven welke onderzoeksactiviteiten dienen plaats te vinden om tot daadwerkelijke financiële onregelmatigheden te kunnen concluderen. Van insinuaties of beschuldigingen aan het adres van klager is geen sprake. Het horen van klager was vanuit de methodologie van het onderzoek nog niet aan de orde. Bovendien diende het met het oog op het strafrechtelijk onderzoek achterwege te blijven. Ter zitting van het College hebben appellanten bestreden dat het beginsel van hoor en wederhoor zou gelden voor een accountant in zijn normale hoedanigheid.
Het College stelt vast dat het rapport d.d. 21 september 1999 een aantal facturen betreft in verband met de treasury activiteiten van de Provincie Zuid Holland. Doel van het onderzoek dat door appellanten is verricht is, ondermeer, het vaststellen of mogelijk sprake is van onregelmatigheden door één of meer medewerkers van de Provincie Zuid-Holland. Hoewel aan appellanten moet worden toegegeven dat het onderzoek niet de betrokkenheid van klager betrof, heeft klager onweersproken er op gewezen dat hij zelfstandig de functie van treasurer bekleedde. Aldus was hij direct bij het onderzoek betrokken. Het rapport van appellanten bevestigt dit doordat de naam van klager veelvuldig is vermeld. Anders dan appellanten hebben gesteld, is het rapport niet slechts een beschrijving van door hen geconstateerde feiten. Zo is bijvoorbeeld gesteld:
"Alle van E ontvangen facturen zijn voorzien van een paraaf die lijkt te dienen als een controlekenmerk (prestatieverklaring) en die grote gelijkenis vertoont en/of afkomstig is van de treasurer, de heer D. (…) De bij de facturen behorende geleideformulieren ter betaling en budgetaccordering zijn opgemaakt in een handschrift dat grote gelijkenis vertoont en/of afkomstig is van de treasurer, de heer D. De geleidefacturen zijn meestal geparafeerd door het daartoe bevoegde hoofd financiën. Regelmatig heeft de heer D bij afwezigheid van het hoofd financiën geparafeerd."