6. De beoordeling
6.1 In de bestreden tuchtbeschikking is vastgesteld dat appellant niet heeft bestreden dat hij, nadat op zijn bedrijf Salmonellabesmetting bij een koppel vleeskuikens was geconstateerd, namelijk op 19 mei 2000 en 10 juli 2000 van de in hok 2 op respectievelijk 13 april 2000 en 8 juni 2000 opgezette vleeskuikens, na het reinigen en ontsmetten van de stallen, geen onderzoek op de aanwezigheid van schadelijke micro-organismen Salmonella in deze stallen heeft doen uitvoeren door een erkende instantie en dat hij vervolgens op 8 juni 2000 en 3 augustus 2000 nieuwe kuikens heeft opgezet.
In beroep heeft appellant deze vaststelling bestreden - althans zo heeft het College begrepen - door te stellen dat hij slechts is vergeten het juiste formulier naar de bevoegde instantie te verzenden en dat er derhalve niet van een inhoudelijke, maar slechts van een administratieve fout sprake is. Hiermee heeft appellant naar het oordeel van het College niet aannemelijk gemaakt dat hij een dergelijk onderzoek daadwerkelijk heeft doen uitvoeren. Appellant heeft geen ter zake opgesteld onderzoeksrapport overgelegd en evenmin anderszins aannemelijk gemaakt dat het bedoelde onderzoek daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Gelet hierop en gezien het dienaangaande gestelde in het berechtingsrapport, hiervoor in rubriek 3 weergegeven, is overtreding van artikel 6, derde lid, van de Verordening juncto artikel 6, eerste lid, van het Hygiënebesluit derhalve bewezen.
Dat appellant, naar hij heeft gesteld, wegens drukte er niet toe is gekomen om het formulier betreffende vorenbedoeld onderzoek te versturen, kosten noch moeite worden bespaard om op zijn bedrijf in de stallen besmetting van de Salmonellabacterie te voorkomen, en hij hierover overleg voert met diverse bedrijven en instellingen, doet, wat daar ook van zij, hier niet aan af. Deze inspanningen van appellant brengen immers niet met zich dat hij niet is gehouden tot naleving van de op hem rustende verplichting tot het doen uitvoeren van het bedoelde onderzoek.
6.2 Uit artikel 10, tweede en derde lid, en onder b, van de Verordening volgt dat in een geval als hier aan de orde als tuchtrechtelijke maatregel een geldboete van ten hoogste tienduizend gulden, welke geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk kan worden opgelegd, wordt genomen.
Het College vat de stellingen van appellant op als mede te zijn gericht tegen de zwaarte van de opgelegde tuchtrechtelijke maatregel.
Het College overweegt hieromtrent dat het Tuchtgerecht heeft overwogen dat het achterwege blijven van een onderzoek op de aanwezigheid van schadelijke micro-organismen Salmonella door een erkende instantie na de geconstateerde Salmonellabesmetting in de stallen van appellant, een potentieel gevaar voor de volksgezondheid vormt.
Bij de vaststelling van de opgelegde maatregel heeft het Tuchtgerecht voorts uitdrukkelijk rekening gehouden met de omvang van het vleeskuikenbedrijf van betrokkene, alsmede met het feit dat op het bedrijf van appellant reeds eerder en herhaaldelijk Salmonella-besmettingen zijn geconstateerd, alsook met het feit dat appellant reeds eerder, meermalen, voor soortgelijke overtredingen is gewaarschuwd.
Gezien het geheel van de ter zake dienende feiten en omstandigheden acht ook het College de opgelegde boete ad € 2.500,--, waarvan € 500,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden.
Het beroep dient dan ook te worden verworpen.
Deze uitspraak berust op de voorschriften, vermeld in de bestreden tuchtbeschikking, alsmede op titel IV van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie.