6. De beoordeling
Het College stelt voorop dat appellant niet betwist hetgeen door het Tuchtgerecht bewezen is verklaard, namelijk dat appellant (-) met betrekking tot wering, signalering en bestrijding van ongedierte geen acties heeft vastgelegd, (-) na het ruimen van het koppel vleeskuikens, waarbij een Salmonellabesmetting is geconstateerd, en het reinigen en ontsmetten van de stal geen hygiëne-onderzoek door een erkende instantie is uitgevoerd en (-) na de geconstateerde Salmonellabesmetting en het reinigen en ontsmetten van de stal geen onderzoek op de aanwezigheid van Salmonella in de stal is uitgevoerd door een erkende instantie.
Deze bewezenverklaring levert overtreding op van de door het Tuchtgerecht ter zake genoemde voorschriften.
De stelling van appellant dat onvoldoende rekening is gehouden met de omvang van zijn bedrijf en dat de opgelegde boete buiten proportioneel is, vat het College op als te zijn gericht tegen de opgelegde maatregel.
Het Tuchtgerecht heeft overwogen dat, mede gelet op de omstandigheid dat appellant ondanks herhaalde waarschuwingen geen stappen heeft ondernomen om zijn bedrijfsvoering ten aanzien van de regelgeving betreffende het hygiëne-onderzoek en het schriftelijk vastleggen van de ongediertebestrijding aan te passen, de door appellant gemaakte overtredingen van de voorschriften ten aanzien van het hygiëne-onderzoek en ten aanzien van het laten uitvoeren van een swabonderzoek als ernstige overtredingen dienen te worden aangemerkt en dat de gemaakte overtreding ten aanzien van het schriftelijk vastleggen van ongediertebestrijding als een zeer ernstige overtreding moet worden beschouwd. Het Tuchtgerecht heeft daarbij in aanmerking genomen dat door de handelwijze van appellant het belang van de volksgezondheid in het geding is, alsmede dat het imago van de sector in zeer ernstige mate is geschaad.
Bij de vaststelling van de opgelegde maatregel heeft het Tuchtgerecht ook uitdrukkelijk rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van appellant, alsmede met het feit dat het bedrijf van appellant tot de kleinere ondernemingen gerekend dient te worden.
Het College heeft geen grond gevonden voor het oordeel dat het Tuchtgerecht deze omstandigheden in onvoldoende mate heeft laten meewegen bij de oplegging van de maatregel. De stelling van appellant dat hij niet op de hoogte was van zijn verplichting een swabonderzoek te laten verrichten, brengt niet met zich dat hij niet tot naleving van die verplichting was gehouden. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van appellant om zich op de hoogte te stellen van de op hem als pluimveehouder rustende verplichtingen.
Het College acht, gelet op de omstandigheden van het geval, de opgelegde boete niet zodanig dat geoordeeld moet worden dat het Tuchtgerecht niet in redelijkheid tot de opgelegde maatregel heeft kunnen komen. Het beroep dient dan ook te worden verworpen.
Deze uitspraak berust op de voorschriften, vermeld in rubriek 2 van deze uitspraak, alsmede op titel IV van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie.