ECLI:NL:CBB:2003:AF2742
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- H.C. Cusell
- J.A. Hagen
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van doding gevaccineerde dieren bij mond- en klauwzeerbestrijding
Appellant hield geiten en lammeren in een gebied waar in 2001 een mond- en klauwzeer (mkz) epidemie heerste. Verweerder verklaarde deze dieren verdacht van mkz en legde maatregelen op waaronder vaccinatie en doding. Appellant maakte bezwaar tegen de doding van zijn dieren na vaccinatie.
Verweerder stelde dat ondanks vaccinatie dieren besmet konden zijn of drager (carrierdier) van het virus konden worden, wat een veterinair risico vormde. De vaccinatie en doding waren gebaseerd op Europese regelgeving en nationale wetgeving. Appellant voerde aan dat het besmettingsrisico door carrierdieren theoretisch was en verweerder onvoldoende belangenafweging had gemaakt.
Het College oordeelde dat verweerder terecht de dieren als verdacht had aangemerkt en dat de combinatie van vaccinatie en doding was voorgeschreven door Europese Beschikking 2001/246/EG. Het beroep werd ongegrond verklaard omdat verweerder gehouden was tot doding van gevaccineerde dieren en de bezwaren over belangenafweging en overleg niet slaagden.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot doding van gevaccineerde dieren wegens verdenking van mond- en klauwzeer wordt ongegrond verklaard.