ECLI:NL:CBB:2003:AF2743
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.C. Cusell
- J.A. Hagen
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid doding verdachte dieren bij mond- en klauwzeer en prejudiciële vragen over communautair recht
In deze zaak gaat het om het beroep van appellant tegen het besluit van 23 mei 2001 waarbij zijn evenhoevige dieren verdacht werden verklaard van mond- en klauwzeer (mkz) en gedood werden. Verweerder baseerde dit besluit op de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd) en het Besluit verdachte dieren. Appellant voerde onder meer aan dat hij zijn dieren niet bedrijfsmatig hield, dat het besluit disproportioneel was en dat de dieren niet gevaccineerd waren, waardoor geen risico op besmetting zou bestaan.
Het College oordeelt dat verweerder bevoegd was het besluit te nemen en dat de dieren terecht als verdacht konden worden aangemerkt gelet op de mkz-epidemie in de regio Oene en de veterinair noodzakelijke maatregelen. De begrenzing van het gebied waarbinnen maatregelen werden getroffen, werd als redelijk beoordeeld ondanks het arbitraire karakter. Ook werd geoordeeld dat de korte termijn tussen besluit en uitvoering niet onrechtmatig was.
Ten aanzien van het communautaire recht stelt het College vast dat Richtlijn 85/511/EEG en Richtlijn 90/423/EEG een uitputtend regime lijken te vormen voor mkz-bestrijding, maar dat onduidelijkheid bestaat over de bevoegdheid van lidstaten om aanvullende nationale maatregelen te treffen zoals doding van verdachte dieren. Daarom worden prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voorgelegd over de bevoegdheid tot doding van verdachte dieren en de ruimte voor aanvullende nationale maatregelen, met aanhouding van verdere beslissing in afwachting van het oordeel van het Hof.
Uitkomst: Het College oordeelt dat het besluit tot doding van verdachte dieren rechtmatig is, maar houdt verdere beslissing aan en verwijst prejudiciële vragen over communautaire bevoegdheden naar het Hof van Justitie.