ECLI:NL:CBB:2003:AF6880
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing maatregelen tegen bruinrotbesmetting pootaardappelen
Appellant, een pootaardappelteler, maakte bezwaar tegen een besluit van de Staatssecretaris van Landbouw waarin zijn partij aardappelen van het ras Saturna werd aangemerkt als 'waarschijnlijk besmet' met de bacterie Ralstonia solanacearum (bruinrot). Hoewel laboratoriumonderzoek geen besmetting aantoonde, baseerde verweerder het besluit op de klonale verwantschap met een daadwerkelijk besmette partij aardappelen.
Het College oordeelde dat de betwisting van de klonale verwantschap door appellant niet in behandeling kon worden genomen omdat dit argument pas ter zitting werd ingebracht en verweerder daardoor niet adequaat kon reageren. Het College stelde vast dat de communautaire richtlijnen 98/57/EG en 2000/29/EG verweerder verplichten om maatregelen te nemen tegen partijen die 'waarschijnlijk besmet' zijn, ook bij afwezigheid van directe laboratoriumbevestiging.
Verder oordeelde het College dat het Besluit bestrijding schadelijke organismen (Bbso) en de Plantenziektenwet een deugdelijke grondslag vormen voor de genomen maatregelen. Het beroep tegen het besluit werd ongegrond verklaard. Ook werd overwogen dat het evenredigheidsbeginsel niet is geschonden door het ontbreken van schadeloosstelling voor appellant, aangezien de wetgever dit niet als onderdeel van het besluitvormingsproces heeft voorgeschreven.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de maatregelen wegens 'waarschijnlijk besmet' verklaarde pootaardappelen wordt ongegrond verklaard.