Met ingang van 1 januari 1998 is van toepassing de Richtlijn budgettering ambulancediensten 1998 (Richtlijn IV-349). Deze richtlijn bepaalt onder meer welke kostensoorten bij de berekening van de budgetten in aanmerking worden genomen, alsmede welke uitgangspunten daarbij worden gehanteerd. Onder toezending van onder meer deze richtlijn, heeft verweerder bij circulaire van 25 november 1997, kenmerk JM/ive/IV/97/240/c4, de directies van de ambulancediensten en de ziektekostenverzekeraars geïnformeerd over de inhoud van de deze richtlijn en over de wijze waarop de invoering daarvan zal plaatsvinden. Deze circulaire luidt, voorzover hier van belang, als volgt:
" 1.2.1 Beschikbaarheid
De ambulancezorg wordt mede gekenmerkt door de beschikbaarheidsfunctie. Het rijden van ritten, de variabele productie, vloeit voort uit deze functie. De systematiek, die tot op heden wordt gevolgd bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van kosten gaat uit van het aantal ritten en de spreiding daarvan over een etmaal. (…) Het was de wens van de koepels om in de nieuwe modelstructuur de beschikbaarheid tot uitgangspunt te nemen voor de bekostiging van de directe personeelskosten. (…)
2. BUDGETTERING PERSONEELSKOSTEN
2.1 Uitgangspunten
De directe personeelskosten maken circa 70 % uit van de totale kosten en zijn daarmee het belangrijkste onderdeel van het budgetmodel.
Bij het ontwikkelen van het budgetmodel voor de directe personele kosten is binnen de hiervoor uiteengezette algemene uitgangspunten besloten tot de volgende uitwerking:
- vaste component voor de beschikbaarheidsfunctie;
- variabele kosten per declarabele rit en EHBO-rit;
- normatieve opslag voor overhead;
- genormeerde ritduur;
- normatief toegekende (niet-gereden) formatie-uren (i.v.m. "parate" wachttijd);
- normatief percentage sociale lasten (werkgeverslasten);
- handhaven onderscheid particuliere en overheidsdiensten.
(…)
2.2.3 Normeren van de gemiddelde ritduur
De gemiddelde ritduur is per regio genormeerd. Daarbij is onderscheid gemaakt naar de ritduur van declarabele ritten en van EHBO-ritten. De cijfers die ten grondslag liggen aan de normen zijn gebaseerd op gegevens van de diensten zelf. Door voor een regionale differentiatie te kiezen wordt deels tegemoet gekomen aan de invloed van omgevingsfactoren. De regio-indeling is dezelfde als die van de CPA (1 = geürbaniseerd, 2 = semi-urbanisatie, 3 = landelijk). Deze indeling is gebaseerd op "postcode dichtheid" en is momenteel de enige beschikbare maat voor een indicatief onderscheid tussen diensten naar bevolkingsdichtheid en/of verkeersdrukte. (…)
2.2.4 Opslag voor de niet-gereden tijd
De genormeerde verhouding rijtijd/wachttijd is de basisgedachte voor het budgetmodel, met als expliciete veronderstelling dat op basis hiervan een hanteerbare maat voor efficiënte bedrijfsvoering (in termen van kosten) kan worden ontwikkeld. In de uitwerking van het model is gekeken naar het aantal individuele ritten (declarabel en niet-declarabel) vermenigvuldigd met de gemiddelde ritduur (individueel) ten opzichte van het totaal aantal uren bedrijfstijd zoals dat uit de rittenstatistiek volgt.
Op grond van de indeling in regio's zijn onderstaande verhoudingen (toeslagnormen) bepaald voor een verhouding gereden/niet-gereden tijd.
Verhouding rijtijd/wachttijd:
- regio 1 1 : 3,3
- regio 2 1 : 4,1
- regio 3 1 : 4,4 (…)"