2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- In het kader van een onderzoek naar zwezeriken in het eerste kwartaal van 1995 heeft het Douane Informatie Centrum (DIC) in Nederland afgegeven T1-documenten voor controle geselecteerd. Reden voor het onderzoek was een signalering uit België over onregelmatigheden met bevroren zwezeriken uit niet-erkende slachthuizen.
- Eén van de geselecteerde documenten was document T1-5100508 (hierna: nr. 2) van 16 januari 1995, een aangifte van appellante voor extern communautair douanevervoer van een zending 'bevroren zwezeriken' via Spanje (Cadiz) naar Marokko. Bij faxbericht van 21 maart 1995 heeft de Spaanse douane te Cadiz desgevraagd aan het DIC meegedeeld dat uit onderzoek is gebleken dat nr. 2 niet in haar registratie voorkomt. Bij faxbericht van 23 maart 1995 heeft de douane te Cadiz vervolgens nog meegedeeld dat het op nr. 2 geplaatste stempel een vervalsing is van het stempel dat bij de Zona Franca te Cadiz wordt gebruikt en dat de handtekening niet correspondeert met een van de aldaar in dienst zijnde functionarissen.
- In het kader van een steekproefcontrole van het zuiveringskantoor zijn ook de documenten T1-5102442 (nr. 3) en T1-5102443 (nr. 4) van appellante van 8 maart 1995 naar Cadiz gestuurd. Bij brief van 30 juni 1995 heeft de douane te Cadiz te kennen gegeven dat de handtekeningen en de stempels op de documenten vals zijn en de nummers niet met haar registratie overeenkomen.
- In april 1995 heeft wederom een steekproefcontrole plaatsgevonden, waarbij appellantes documenten T1-5104186 (nr. 5), T1-5104187 (nr. 6) en T1-5104188
(nr. 7) van 25 april 1995 aan controle zijn onderworpen. Bij brieven van 10 juli 1995 en 17 augustus 1995 heeft de douane te Cadiz met betrekking tot nrs. 6 en 7 respectievelijk nr. 5 te kennen gegeven dat de handtekeningen en de stempels op de documenten vals zijn en de nummering niet met haar registratie overeenkomt. Bij faxbericht van 8 september 1995 heeft de douane te Cadiz met betrekking tot de documenten T1-5100507 (nr. 1) van 16 januari 1995 en nr. 5, mede onder verwijzing naar de brief van 17 augustus 1995, meegedeeld dat genoemde documenten niet op het douanekantoor te Cadiz zijn geregistreerd en dat de stempels en handtekeningen vals zijn.
- Op 14 augustus 1995 is het bedrijf van appellante bezocht door een rechercheur van de FIOD en zijn alle dossiers meegenomen van George Hector te Essex, in opdracht van wie appellante onderhavige aangiften heeft gedaan. In deze dossiers bevonden zich onder meer kopieën en ontvangstbewijzen van T1-5105896 (nr. 8) van 13 juni 1995, T1-2501311 (nr. 9) van 17 juni 1995, T1-5105833 (nr. 10) van 12 juni 1995,
T1-5106710 (nr. 11) van 4 juli 1995 en T1-5106874 (nr. 12) van 7 juli 1995. Op
23 augustus 1995 heeft het DIC op verzoek van de FIOD de aftekening en afstempeling te Algeciras van de bij deze T1-documenten behorende ontvangstbewijzen door de douane te Algeciras laten verifiëren. Bij faxbericht van diezelfde dag heeft de douane te Algeciras meegedeeld dat deze T1-documenten niet bij dit douanekantoor zijn aangekomen en de stempels en handtekeningen vals zijn: het vierkanten, persoonlijk stempel werd op de vermelde datum niet meer gebruikt, er is geen enkele inkeping in het zeskantig stempel gerealiseerd en het datumstempel maakt deel uit van het stempel.
- Op 5 september 1995 heeft appellante aan de FIOD een brief inzake een verklaring van de douane te Algeciras van 21 augustus 1995 met betrekking tot nrs. 2 t/m 7 doen toekomen welke via het DCI ter verificatie aan de douane te Algeciras is voorgelegd. Bij faxbericht van 9 oktober 1995 heeft de douane te Algeciras inzake de verklaring van 21 augustus 1995 meegedeeld dat de betreffende nummers niet in de registers voorkomen. Verder is meegedeeld dat de verklaring vals is, hoewel de naam en de functie van de genoemde ambtenaar juist zijn. Het type brief is onjuist en het is niet de taak van de genoemde persoon deze verklaring af te geven.
- Op 4 november 1995 zijn aan appellante kennisgevingen van niet-zuivering met betrekking tot de nrs. 1 t/m 7 verzonden.
- Op 21 november 1995 is door een medewerker van de FIOD een rapport opgemaakt, waarin verslag wordt gedaan van de bevindingen inzake de bewuste T1-aangiften.
- Op 11 december 1995 zijn aan appellante de kennisgevingen van niet-zuivering met betrekking tot de nrs. 8 t/m 12 verzonden.
- Op 9 januari 1996 heeft appellante schriftelijk op de kennisgevingen van niet-zuivering gereageerd en op 19 januari 1996 heeft ter zake eveneens een gesprek plaatsgevonden bij de douane te Rotterdam.
- Bij besluiten van 29 januari 1996 zijn aan appellante inzake nrs. 1 en 3 t/m 7 uitnodigingen tot betaling (utb's) uitgereikt, waarbij, voorzover hier van belang, aan appellante landbouwheffingen bij invoer zijn opgelegd. Tegen deze besluiten heeft appellante bij brieven van 9 februari 1996 bezwaar gemaakt.
- Bij besluiten van 25 maart 1996 zijn aan appellante inzake nrs. 8 t/m 10 utb's uitgereikt, waarbij, voorzover hier van belang, aan appellante landbouwheffingen bij invoer zijn opgelegd. Tegen deze besluiten heeft appellante bij brieven van 2 april 1996 bezwaar gemaakt.
- Bij besluit van 4 april 1996 is aan appellante inzake nr. 11 een utb uitgereikt, waarbij, voorzover hier van belang, aan appellante landbouwheffingen bij invoer zijn opgelegd. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 11 april 1996 bezwaar gemaakt.
- Bij besluit van 22 april 1996 is aan appellante inzake nr. 12 een utb uitgereikt, waarbij, voorzover hier van belang, aan appellante landbouwheffingen bij invoer zijn opgelegd. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 1 mei 1996 bezwaar gemaakt.
- Bij brief van 17 juni 1996 heeft appellante een in opdracht van haar gemaakt rapport van detectivebureau L&J Cobain Vaught Limited overgelegd.
- Appellante is op 8 oktober 1996 over haar bezwaren gehoord.
- Bij brief van 13 mei 1998 heeft het douanekantoor te Algeciras desgevraagd (nogmaals) aan het DIC bevestigd dat de stempels op (onder meer) nr. 11 vals zijn en dat de handtekeningen niet corresponderen met een functionaris van het douanekantoor.
- Vervolgens heeft verweerder op 24 september 1998 de bestreden besluiten genomen.