Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2003:AL1828

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
15 augustus 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/676
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:2 AwbArt. 8:75 AwbArt. 126 Wet op de bedrijfsorganisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar hoveniersheffing

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder waarin het bezwaar tegen de opgelegde hoveniersheffing niet-ontvankelijk werd verklaard. Appellant voerde aan dat de heffingsverordening niet op zijn bedrijf van toepassing is, mede omdat zijn bedrijf in diverse branches actief is en hij geen heffing verschuldigd zou zijn.

Verweerder stelde dat de aanmaning geen besluit bevat waartegen bezwaar kan worden gemaakt en dat het bezwaar zich daarom tegen de heffingsverordening moet richten. Het bezwaar was gericht tegen de heffingsverordening zelf, een algemeen verbindend voorschrift, waardoor het bezwaar op grond van artikel 8:2 Awb Pro niet-ontvankelijk is.

Het College stelde vast dat het beroep alleen gericht was tegen het besluit van 17 april 2002 en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard zonder inhoudelijke beoordeling van de grieven. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar tegen een algemeen verbindend voorschrift is gericht en daarom niet-ontvankelijk is.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
No.AWB 02/676 15 augustus 2003
4000 Heffing
Uitspraak in de zaak van:
A, te B, appellant,
tegen
het Productschap Tuinbouw, te Zoetermeer, verweerder,
gemachtigde: mr. R. Smeelen, werkzaam bij verweerder.
1. De procedure
Op 24 april 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 april 2002.
Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen de hem door verweerder opgelegde hoveniersheffing niet-ontvankelijk verklaard.
Bij brief van 9 juni 2002 heeft appellant een nadere toelichting gegeven op het beroep.
Op 25 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 25 april 2003 heeft verweerder nadere gegevens verstrekt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2003. Bij die gelegenheid hebben partijen - appellant in persoon en verweerder bij monde van zijn gemachtigde - hun standpunten toegelicht.
2. De grondslag van het geschil
2.1 Op grond van artikel 126 van Pro de Wet op de bedrijfsorganisatie kunnen bedrijfslichamen bij verordening aan degenen die de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, drijven, heffingen opleggen.
2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Appellant, die sinds 22 februari 1995 bij verweerder staat geregistreerd, oefent, naar verweerder op grond van de opgaven van appellant, het door hem gebruikte briefpapier en de wijze waarop zijn onderneming in het Handelsregister staat geregistreerd aanneemt, het hoveniersbedrijf uit.
- Aan appellant zijn vanaf 1996 tot 2000 door verweerders rechtsvoorganger, het Produktschap voor Siergewassen, heffingen opgelegd op grond van de Heffingsverordening PVS Hoveniersbedrijven 1980. Vanaf 2000 zijn hem door verweerder op grond van de Heffingsverordening PT Hoveniersbedrijven 1998 heffingen opgelegd.
- Naar aanleiding van de heffingsnota's en daarop volgende aanmaningen is tussen appellant en verweerder en diens rechtsvoorganger een uitvoerige briefwisseling gevoerd. Daarbij is van de zijde van appellant betoogd dat op hem geen verplichting rust de opgelegde heffingen te voldoen.
- Op 8 maart 2002 heeft verweerder een aanmaning aan appellant verzonden nadat was vastgesteld dat appellant niet aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.
- Naar aanleiding van deze aanmaning heeft appellant bij brief van 12 maart 2002 verweerder onder meer het volgende meegedeeld.
" Blijkbaar heeft er een grove miscommunicatie plaatsgevonden. Volgens uw interpretatie van het woord "hovenier" bent u van mening aanspraak te kunnen maken op de zogenaamde "hoveniersheffing".
Het een en ander blijkt niet zo te zijn er ontbreekt hier ook elke juridische grondslag. Voor het uitvoeren van mijn bedrijf heb ik geen "vergunning" nodig en ben ik u ook geen heffing schuldig.
De werkzaamheden welke mijn bedrijf uitvoert zijn enorm breed en zijn wij werkzaam in diverse branches. Mocht het PT überhaupt aanspraak kunnen maken op de zogenaamde heffing voor hoveniers, dan zou dit in geen geval op mijn bedrijf betrekking hebben. Om het een en ander te verduidelijken heb ik een recent kopie uittreksel KvK meegezonden.
Tevens verzoek ik U de betaalde premies in de periode 1995 tot 1998 ( 3 jaar) op mijn rekening terug te storten (…)"
- Bij brief van 10 april 2002 heeft verweerder onder meer aan appellant meegedeeld dat de termijn waarbinnen tegen de nota's over de jaren 1994, 1995 en 1996 bezwaar kon worden gemaakt, is verstreken en dat appellants bezwaar inzoverre niet-ontvankelijk wordt verklaard. Voorzover het bezwaar van appellant zich richt tegen de Heffingsplicht in het algemeen wordt appellant uitgenodigd alsnog aan te geven waarom hij meent dat de heffingsverordening niet op hem van toepassing is.
- Bij brief van 11 april 2002 is appellant op bedoelde uitnodiging ingegaan en heeft hij nader uiteengezet waarom hij meent dat verweerder niet beschikt over een juridische grondslag om tot heffing over te gaan.
- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.
3. Het bestreden besluit en de daarop gegeven toelichting
Het bestreden besluit luidt - onder meer - als volgt.
"Op 11 april 2002 is u naar aanleiding van uw brief van 12 maart 2002 verzocht nader aan te geven wat de gronden voor uw bezwaar tegen de heffing zijn.
Een bezwaar tegen de heffingsverordening als zodanig is op grond van artikel 8:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kennelijk niet-ontvankelijk aangezien het gericht is tegen een algemeen verbindend voorschrift. Uw brief van
11 april bevat geen elementen die uw bezwaar, voor zover niet eerder behandeld, anders doen zijn dan een bezwaar tegen een algemeen verbindend voorschrift. (…)"
Ter zitting heeft verweerders gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat de aanmaning van 8 maart 2002 geen besluit bevat waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Daaruit heeft verweerder afgeleid dat het bezwaar zich dus tegen de Heffingsverordening moet richten.
4. Het standpunt van appellant
Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.
Het bezwaar was, zoals appellant ter zitting desgevraagd heeft verklaard, gericht tegen de Heffingsverordening zelf. De wijze waarop verweerder de op te leggen heffingen berekent, komt er op neer dat de kleine eenmanszaken zoals die van appellant, "gestraft" worden voor het uitoefenen van hun bedrijf. De promotionele activiteiten waaraan verweerder 47% van de heffingsopbrengsten besteedt, komen uitsluiten aan de grotere bedrijven ten goede.
Na enige jaren als zelfstandig hovenier te hebben gewerkt - en de opgelegde heffingen ook betaald te hebben - heeft appellant in zijn bedrijf veranderingen gerealiseerd. Thans is het bedrijf in diverse branches werkzaam. Daardoor is het niet mogelijk voor iedere branche een aparte heffing te betalen.
5. De beoordeling van het geschil
Het College stelt vast dat het beroep enkel is gericht tegen het bestreden besluit van 17 april 2002.
Appellant heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zijn bezwaar was gericht tegen de Heffingsverordening zelf, welke verordening een algemeen verbindend voorschrift inhoudt. Derhalve heeft verweerder het bezwaar terecht op grond van artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard. Aan een beoordeling van de inhoudelijke grieven van appellant komt het College gezien het vorenstaande niet toe.
Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
6. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. M.J. Kuiper en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2003.
w.g. C.M. Wolters w.g. F.W. du Marchie Sarvaas