ECLI:NL:CBB:2003:AL8212
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- H.C. Cusell
- J.A. Hagen
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke uitspraak over verdachtverklaring en doding dieren bij mond- en klauwzeerbestrijding
Appellant, een rundveehouder, maakte bezwaar tegen het besluit van de Minister van Landbouw waarin zijn dieren verdacht werden verklaard van mond- en klauwzeer (mkz) en na vaccinatie werden gedood. Het geschil betreft de rechtmatigheid van de verdachtverklaring, de vaccinatie en de daaropvolgende doding van de dieren, alsmede de toereikendheid van de schadevergoeding.
De zaak is gebaseerd op Europese richtlijnen (85/511/EEG en 90/423/EEG) en nationale regelgeving (Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren). Verweerder handhaafde het besluit op grond van de ernst van mkz, de noodzaak tot bestrijding en de geldende wet- en regelgeving. Appellant stelde onder meer dat de verdachtverklaring onterecht was, dat de vaccinatie en doding disproportioneel waren en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden.
Het College overwoog dat de verdachtverklaring en de doding van de dieren terecht waren, mede gezien het gemeenschapsrecht en de epidemiologische situatie. Ook werd geoordeeld dat de schadevergoeding niet in deze procedure aan de orde is, maar via een afzonderlijke regeling en dat appellant een verzoek tot vergoeding op grond van artikel 91 van Pro de Gwd kan indienen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee bevestigde het College de rechtmatigheid van het bestreden besluit en de toegepaste maatregelen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot verdachtverklaring en doding van de dieren blijft in stand.