ECLI:NL:CBB:2004:AO2580
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- D. Roemers
- J.A. Hagen
- E.J.M. Heijs
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing heffingsverordening 2002 B.D.A. en rechtsgeldigheid opgelegde heffingen
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 5 september 2002 waarbij hun bezwaren tegen heffingen op grond van de Heffingsverordening 2002 B.D.A. zijn afgewezen. De heffingen waren opgelegd door het Bedrijfschap Detailhandel in Alcoholhoudende Dranken, dat per 1 juli 2002 werd opgeheven en opgegaan in het Productschap Dranken. Appellanten voerden onder meer aan dat er sprake was van een gentlemen's agreement die heffingen voor 2000 en volgende jaren uitsloot, dat het bestuur niet representatief was en dat franchisenemers ten onrechte werden uitgesloten van het grootwinkelbedrijf.
Het College stelt vast dat het zogenaamde gentlemen's agreement slechts betrekking had op het heffingsjaar 1999 en dat daaruit geen rechten kunnen worden ontleend voor latere jaren. Ook de e-mail van een betrokkene en de beleidsnota van de Sociaal-Economische Raad bieden geen grond voor het oordeel dat de heffingsverordening onrechtmatig is. De uitsluiting van franchisenemers in de verordening is relevant voor vrijstellingsverzoeken, die niet onderwerp van deze procedure zijn. De representativiteit van het bestuur is niet feitelijk onderbouwd en kan de rechtsgeldigheid van de verordening niet aantasten.
Gelet op deze overwegingen verklaart het College het beroep ongegrond en ziet af van een proceskostenveroordeling. De opgelegde heffingen blijven rechtsgeldig, ook na de opheffing van het Bedrijfschap.
Uitkomst: Het beroep tegen de heffingsverordening 2002 B.D.A. en de opgelegde heffingen wordt ongegrond verklaard.