ECLI:NL:CBB:2004:AO4471
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen weigering vergunning kansspelautomaten in laagdrempelige inrichting
Appellante, exploitant van een café te Den Haag, verzocht om een vergunning voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten. Deze vergunning werd geweigerd omdat de inrichting laagdrempelig was. Appellante maakte bezwaar tegen deze weigering, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Tijdens de procedure stelde verweerder twijfels over het procesbelang van appellante, omdat de periode waarvoor de vergunning was aangevraagd inmiddels was verstreken en de kansspelautomaten gedurende die periode toch aanwezig waren geweest. Het College oordeelde dat het belang van appellante zich slechts kon richten op de uitstraling van een oordeel voor een toekomstig tijdvak, maar dat dit volgens vaste jurisprudentie geen rechtens te honoreren belang vormt.
Verder werd overwogen dat appellante bewust zonder vergunning de kansspelautomaten heeft geëxploiteerd, waardoor het beroep primair niet-ontvankelijk is. Het College wees het beroep af zonder proceskostenveroordeling en benadrukte dat de rechtsvraag over de laag- of hoogdrempeligheid van de inrichting bij een toekomstige aanvraag opnieuw kan worden gesteld.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een rechtens te honoreren belang.