ECLI:NL:CBB:2004:AO4474
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering vergunning voor kansspelautomaten in horeca-inrichting
Appellant exploiteert een horecaonderneming bestaande uit een cafetaria- en een cafégedeelte en verzocht om een vergunning voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten in het cafégedeelte. Verweerder weigerde deze vergunning omdat het cafetariagedeelte als laagdrempelig werd aangemerkt en het cafégedeelte als hoogdrempelig, maar er geen fysieke afscheiding tussen beide gedeelten was. Hierdoor moest het cafégedeelte de laagdrempelige status van het cafetariagedeelte delen, wat volgens de Wet op de kansspelen het plaatsen van kansspelautomaten verbiedt.
Appellant maakte bezwaar en stelde onder meer dat hij in andere gemeenten wel vergunningen had gekregen en dat hij bereid was voorzieningen te treffen om aan de voorwaarden te voldoen. Het College oordeelde dat deze argumenten niet tot een andere uitkomst konden leiden omdat de wettelijke voorwaarden niet waren vervuld. De aanwezigheid van een deur die meestal open stond betekende dat er geen fysieke afscheiding was zoals vereist. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Het College wees ook op het belang van de wettelijke bepalingen omtrent laag- en hoogdrempelige inrichtingen en bevestigde dat het beleid van andere gemeenten geen rechtsgrond kan vormen om af te wijken van de wet. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de vergunning voor kansspelautomaten wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van een fysieke afscheiding tussen laag- en hoogdrempelige gedeelten.