ECLI:NL:CBB:2004:AO6472
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergunning kansspelautomaten in horecagelegenheid wegens ontbreken besloten ruimte
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de burgemeester van Den Haag om het bezwaar tegen de afwijzing van een vergunning voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten ongegrond te verklaren. De vergunningaanvraag werd afgewezen omdat de horecagelegenheid van appellant als laagdrempelig werd aangemerkt, aangezien het restaurantgedeelte niet als een besloten ruimte kon worden beschouwd.
De kern van het geschil betrof de vraag of het restaurantgedeelte van de horecagelegenheid kon worden aangemerkt als een hoogdrempelige inrichting, waarvoor een vergunning voor kansspelautomaten mogelijk is. Het restaurantgedeelte was slechts door een laag muurtje gescheiden van het afhaalgedeelte, waardoor geen sprake was van een besloten ruimte zoals vereist in de Drank- en Horecawet.
Het College oordeelde dat het ontbreken van een besloten ruimte betekent dat het restaurantgedeelte niet als horecalokaliteit kan worden aangemerkt en daarmee niet als hoogdrempelige inrichting kwalificeert. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat dit beginsel niet strekt tot het verlenen van een vergunning in strijd met de wet.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de vergunning gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de vergunning voor kansspelautomaten wordt ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.