ECLI:NL:CBB:2004:AQ5398

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
9 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 04/225
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de kansspelen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen weigering vergunning kansspelautomaten in horeca

Appellante heeft een vergunning aangevraagd voor het plaatsen van twee kansspelautomaten in haar horecaonderneming. Deze vergunning werd geweigerd door verweerder, waarna appellante bezwaar maakte. Na advies van de Adviescommissie bezwaarschriften handhaafde verweerder de weigering.

Appellante stelde dat zij ondanks het verstreken tijdvak van de vergunning toch belang had bij een uitspraak, omdat dit relevant zou zijn voor toekomstige vergunningaanvragen. Verweerder betoogde dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de vergunningperiode was verstreken en de kansspelautomaten al in de inrichting stonden.

Het College oordeelde dat het belang van appellante slechts gelegen is in de mogelijke uitstraling van het oordeel voor toekomstige aanvragen, wat volgens vaste jurisprudentie niet als een rechtens te honoreren belang geldt. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtens te honoreren belang.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
(zesde enkelvoudige kamer)
AWB 04/225 9 juni 2004
29010 Wet op de kansspelen
Aanwezigheidsvergunning
Uitspraak in de zaak van:
De Leeuw Brothers B.V., te Den Haag, appellante,
gemachtigde: mr. M.G. Cantarella, advocaat te Den Haag,
tegen
de burgemeester van Den Haag, verweerder,
gemachtigden: F.M.J. Schumans en C.E.J.M. Vaars, werkzaam bij verweerder.
1. De procedure
Appellante heeft bij brief van 17 maart 2004, bij het College binnengekomen op 18 maart 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 februari 2004.
Bij dit besluit heeft verweerder beslist op appellantes bezwaar tegen de afwijzing van haar verzoek om vergunning op grond van de Wet op de kansspelen voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten.
Bij brief van 19 april 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Op 26 mei 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht. De gemachtigde van appellant werd bijgestaan door A.
2. De grondslag van het geschil
Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Appellante heeft op 21 mei 2003 een aanwezigheidsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van twee kansspelautomaten in haar horecaonderneming.
- Bij besluit van 23 mei 2003 is de aanwezigheidsvergunning geweigerd.
- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 23 juni 2003 bezwaar gemaakt.
- Appellante is op 8 december 2003 omtrent haar bezwaar gehoord, waarna de Adviescommissie bezwaarschriften op 29 januari 2004 aan verweerder advies heeft uitgebracht over appellantes bezwaar.
- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.
3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder
Bij het bestreden besluit is appellantes bezwaar ongegrond verklaard en is de weigering van de aanwezigheidsvergunning gehandhaafd, omdat de inrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd laagdrempelig is.
Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat, gelet op de jurisprudentie van het College, het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat appellante geen belang heeft bij een beoordeling van haar beroep. Immers, indien de aanvraag zou zijn ingewilligd, zou de vergunning voor een periode van een jaar zijn verleend, welke periode inmiddels is verstreken. Gedurende deze periode hebben de kansspelautomaten in de inrichting gestaan.
4. Het standpunt van appellante
Appellante heeft ter zitting ten aanzien van de ontvankelijkheid van haar beroep gesteld dat het tijdvak waarvoor de vergunning is aangevraagd weliswaar is verstreken en dat gedurende die periode de kansspelautomaten in de inrichting aanwezig zijn gebleven, maar dat zij niettemin procesbelang behoudt bij een uitspraak over het door verweerder gestelde en door haar bestreden laagdrempelige karakter van de inrichting, aangezien de uitslag van het beroep (mede) bepalend is voor nieuw aan te vragen vergunningen met betrekking tot dezelfde inrichting van appellante.
Gelet op het in rubriek 5 overwogene kan de weergave van het standpunt van appellant voor het overige achterwege blijven.
5. De beoordeling van het geschil
Het College ziet zich voor de vraag gesteld of appellante een rechtens te honoreren belang heeft bij een beoordeling van haar beroep.
Bij het bestreden besluit is de weigering van een aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten in appellantes inrichting gehandhaafd. Het College stelt vast dat de periode waarop de verlangde vergunning betrekking heeft is verstreken, dat gedurende deze periode in de inrichting twee kansspelautomaten aanwezig zijn geweest en geëxploiteerd als ware appellante in het bezit van een vergunning en dat van schade als gevolg van de weigering van de vergunning ook overigens niet is gebleken. Het belang van appellante bij een beoordeling van haar beroep is enkel gelegen in de uitstraling die een oordeel van het College zou kunnen hebben voor een later tijdvak dan dat waarop dit beroep ziet. Dit belang kan, volgens vaste jurisprudentie van het College, evenwel niet als een rechtens te honoreren belang worden aangemerkt. De rechtsvraag die appellante beantwoord wil zien, kan immers, zo nodig en wenselijk, aan de orde worden gesteld in het kader van de aanvraag die op zo'n later tijdvak betrekking heeft.
Gelet op voorgaande dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
6. De beslissing
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2004.
w.g. E.J.M. Heijs w.g. M.H. Vazquez Muñoz