ECLI:NL:CBB:2004:AR3080
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing hardheidsregeling pluimveerechten op grond van Meststoffenwet
Appellante, een pluimveebedrijf, stelde beroep in tegen een besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit dat haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag voor toepassing van de hardheidsregeling in het kader van het stelsel van pluimveerechten ongegrond verklaarde.
Het geschil betrof de vraag of appellante in aanmerking kwam voor hardheidsgeval 1, dat geldt voor pluimveehouders die tussen 1 januari 1994 en 5 november 1998 onomkeerbare investeringsverplichtingen zijn aangegaan met het oog op uitbreiding of omschakeling binnen het mestproductierecht. Appellante voerde aan dat zij in die periode milieuvergunningen had verkregen en uitbreidingen had gemeld, waardoor zij aan de criteria voldeed.
Het College oordeelde dat de milieuvergunningen die in de relevante periode werden verleend later door de rechter werden vernietigd en dat een latere gewijzigde vergunningaanvraag na 5 november 1998 niet als vervangend kon worden gezien. Bovendien zijn meldingen op grond van artikel 8.19 Wm niet gelijk te stellen aan milieuvergunningaanvragen zoals bedoeld in artikel 58k van de Meststoffenwet. De wetgever heeft expliciet gekozen voor harde toetsingscriteria om rechtszekerheid te waarborgen.
Daarom concludeerde het College dat appellante niet voldeed aan de criteria voor hardheidsgeval 1 en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees het College een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de hardheidsregeling gehandhaafd.