5. De beoordeling van het geschil
5.1 Het College stelt vast dat aan appellante op 29 november 1994, en derhalve in het tijdvak van 1 januari 1994 tot en met 5 november 1998 een milieuvergunning is verleend, maar dat deze vergunning op 23 januari 1998 bij rechterlijke uitspraak weer is vernietigd. De vernietigde vergunning was gebaseerd op een in 1991 door appellante ingediende en in 1994 herhaalde aanvraag tot het houden van 91.000 legkippen.
5.2 Op 26 februari 1999, en derhalve nadat het voor toepassing van artikel 58k, eerste lid, Meststoffenwet relevante tijdvak was verstreken, heeft appellante wederom onder aanpassing van haar in 1991 ingediende vergunningaanvraag om een milieuvergunning verzocht. Deze vergunningaanvraag heeft eerst geleid tot verlening van een milieuvergunning op 29 november 1999. Op het moment dat appellante de melding deed om in aanmerking te komen voor hardheidsgeval 1, beschikte zij derhalve niet over een milieuvergunning op basis van een door haar in de relevante periode ingediende aanvraag.
5.3 De door appellant ingediende aanvraag om een milieuvergunning van 26 februari 1999 kan niet worden aangemerkt als een, de aanvragen van 1991 en 1994 vervangende aanvraag. De na het verstrijken van de periode van artikel 58k, eerste lid, Meststoffenwet, ingediende gewijzigde aanvraag van appellante, die geleid heeft tot de verlening van zijn huidige milieuvergunning ziet immers op een aanzienlijk grotere uitbreiding van haar pluimveebestand dan de beide hiervoor bedoelde aanvragen. Om deze reden heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat van een vervangende aanvraag niet kan worden gesproken.
5.4 Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat appellante in het relevante tijdvak evenmin een bouwvergunning heeft aangevraagd, is verweerder terecht tot de slotsom gekomen dat niet aan de vereisten voor toepassing van artikel 58k, eerste lid, en sub k Meststoffenwet werd voldaan. Dat appellante heeft aangevoerd voor de gewenste verbouwingen geen bouwvergunning nodig te hebben gehad, leidt niet tot een ander oordeel. Het College verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 18 december 2003, no. AWB 03/242 (te vinden op www.rechtspraak.nl; LJN: AO4291).
5.5 Blijkens de memorie van toelichting bij de Wijzigingswet (TK 1998-1999, 26 473, nr. 3) is het in artikel 58k, eerste lid, onder a, Mw geregelde hardheidsgeval bedoeld voor pluimveehouders die al vóór 6 november 1998 serieuze uitbreidingsplannen hadden en hiertoe onomkeerbare stappen hebben gezet of anderszins onomkeerbare investeringsverplichtingen zijn aangegaan. Voor de beoordeling of sprake is van zodanige stappen of verplichtingen is, aldus de nota naar aanleiding van het verslag (Tk 1998-1999, 26 473, nr. 6), gezocht naar generieke criteria, omdat daarmee voor elke pluimveehouder duidelijke, eenduidige maatstaven aanwezig zijn om te beoordelen of hij al dan niet in aanmerking komt voor toepassing van artikel 58k, eerste lid, aanhef en onder a, Mw. In de memorie van antwoord (EK 2000-2001,
26 473, nr. 54) is in dit verband het volgende opgemerkt:
"Een verwijzing naar enkel «onomkeerbare investeringsverplichtingen» in de wet is niet gewenst omdat dit geen duidelijk omlijnd, voor één uitleg vatbaar begrip is. Het beginsel van rechtszekerheid vereist duidelijke, harde toetsingscriteria om te beoordelen of een veehouder daadwerkelijke serieuze onomkeerbare stappen heeft ondernomen. Juist daarom is ervoor gekozen aan te sluiten bij verleende milieuvergunningen, aangevraagde milieuvergunningen in combinatie met een aangevraagde bouwvergunning, en meldingen in het kader van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer en het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, eveneens in combinatie met een aanvraag van bouwvergunning. In die situatie is er een betrouwbare indicatie dat de pluimveehouder verdergaande stappen heeft ondernomen met het oog op een feitelijke uitbreiding van zijn bedrijfscapaciteit."