3. De bestreden besluiten
Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard. Hiertoe heeft verweerder, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.
Het had op de weg van appellanten gelegen om bezwaar te maken tegen het niet tijdig nemen van besluiten op hun aanvragen om restitutie, indien zij van mening zijn dat verweerder hiermee sedert 14 oktober 1996 in gebreke was gebleven. Appellanten hadden hiermee de procedure kunnen bespoedigen, doch hebben welbewust ervan afgezien bezwaar te maken, hetgeen voor hun eigen rekening en risico komt.
Van enige vorm van verjaring kan geen sprake zijn. Immers, indertijd is, onder het stellen van zekerheid, restitutie vooruitbetaald, hetgeen uit de aard van de zaak een voorlopig karakter heeft. Eerst bij de besluiten van 2 augustus 2002 is de restitutie vastgesteld, zodat pas op dat moment kon worden bepaald wat er moest worden verrekend tussen appellanten en verweerder en dus ook of eventuele schulden opeisbaar waren.
Ook overigens gaat het beroep op verjaring van appellanten niet op. Volgens vaste jurisprudentie van het College missen de artikelen 3:307 tot en met 3:309 van het Burgerlijk Wetboek toepassing in het bestuursrecht. Artikel 52, vierde lid, onder b, van Verordening (EG) nr. 800/1999 is niet van toepassing op de onderhavige aangiften ten uitvoer, welke vóór 1 juli 1999 zijn gedaan. Hierenboven kan de terugvordering op grond van deze bepaling niet zijn verjaard. De verjaringstermijn van vier jaar van artikel 52, vierde lid, onder b, van Verordening (EG) nr. 800/1999 vangt immers pas aan nadat het definitieve besluit tot toekenning van restitutie ter kennis van de begunstigde is gebracht, in casu op 2 augustus 2002, zodat tussen dit moment en het moment waarop appellanten zijn ingelicht over het feit dat onverschuldigd restitutie is betaald, in casu eveneens op 2 augustus 2002, minder dan vier jaar zijn verstreken.
Evenmin heeft verweerder, door in 2002 over te gaan tot het terugvorderen van restitutie, gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel dan wel de redelijkheid en billijkheid.
Hieraan heeft verweerder ter zitting nog het volgende toegevoegd.
Verordening nr. 2988/95 is in de onderhavige gevallen niet van toepassing, omdat geen onregelmatigheid is begaan, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van deze verordening. In dit artikellid wordt namelijk onder andere als voorwaarde gesteld dat als gevolg van de onregelmatigheid de begroting van de Gemeenschappen wordt of zou kunnen worden benadeeld. In deze procedures is de restitutie in het kader van préfinanciering vooruitbetaald onder het stellen van zekerheid. Gelet op het voorhanden hebben van een zekerheid is er nimmer sprake van geweest dat de begroting van de Gemeenschappen benadeeld zou kunnen worden
Voor het geval wordt aangenomen dat in de onderhavige gevallen wel een onregelmatigheid is begaan, dan moet dit worden geacht een voortdurende dan wel voortgezette onregelmatigheid te zijn, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, tweede alinea, van Verordening nr. 2988/95. Verweerder heeft de juiste documenten immers nog steeds niet mogen ontvangen, zodat alsdan de verjaringstermijn aanvangt op de dag waarop de onregelmatigheid is geëindigd, in casu de dag waarop verweerder de juiste documenten ontvangt.
Dat op basis van het arrest van het Hof van Justitie van 1 juli 2004 in de zaak Gisela Gerken (C-295/02) de minder strenge regeling van artikel 52, vierde lid, onder b, van Verordening (EG) nr. 800/1999 zou moeten worden toegepast, zoals appellanten hebben betoogd, is onjuist. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat in dit arrest uitleg wordt gegeven aan artikel 2, tweede lid, van Verordening nr. 2988/95, dat deze bepaling handelt over toepassing van minder strenge bepalingen wanneer sprake is van een administratieve sanctie en dat het in de onderhavige gevallen niet gaat om administratieve sancties, maar over het intrekken en terugvorderen van restituties, zijnde administratieve maatregelen, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Verordening nr. 2988/95. In dit verband wordt verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van 11 juli 2002 in de zaak KCH (C-210/00).