ECLI:NL:CBB:2005:AS4481
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- M.A. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over tijdige indiening aanvraag subsidievaststelling
Appellante diende een aanvraag in voor subsidie op grond van de Subsidieregeling energievoorzieningen, met de verplichting om binnen zes maanden na installatie een aanvraag tot vaststelling in te dienen. Door vertraging in de bouw werd de oplevering later dan gepland, waarop appellante uitstel vroeg voor de indiening van de subsidievaststelling.
Verweerder verleende meerdere malen uitstel, maar stelde uiteindelijk de subsidie op nihil vast omdat de aanvraag te laat werd ingediend. Appellante voerde aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege de bouwvertraging en dat verweerder in een vergelijkbare situatie uitstel had verleend.
Het College oordeelde dat appellante voldoende tijd had om de aanvraag tijdig in te dienen en dat de vertraging en het ontbreken van enkele facturen geen verschoonbare reden vormden. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat in de andere zaak tijdig een ontheffing was aangevraagd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot subsidievaststelling op nihil wegens te late indiening van de aanvraag is ongegrond verklaard.