Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2015 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats], appellante
de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
[naam 2], werkzaam bij DRV Subsidie Advies.
Overwegingen
30 december 2013 is.
14 februari 2014 (eventueel een onvolledige) aanvraag wordt ingediend.
€ 99.876,- bedraagt.
31 januari 2014 een extra termijn heeft gegeven waarbinnen de aanvraag moet zijn ingediend, dat hij (de toenmalige gemachtigde van) appellante op 13 februari 2014 telefonisch heeft benaderd om te bewerkstelligen dat uiterlijk 14 februari 2014 (eventueel een onvolledige) aanvraag wordt ingediend, dat dit zonder resultaat is geweest en dat hij de subsidie terecht ambtshalve op nihil heeft vastgesteld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die zodanige nadelige gevolgen met zich brengen dat redelijkerwijs van het op nihil vaststellen van de subsidie moet worden afgezien. Van een onevenredige belangenafweging is volgens verweerder niet gebleken.
31 januari 2014 opnieuw in de gelegenheid heeft gesteld die aanvraag in te dienen. Uit de door appellante genoemde uitspraken van het College kan niet worden afgeleid dat de subsidie alleen dan op nihil kan worden vastgesteld, indien daarop voorafgaand aan die vaststelling is gewezen. Voor appellante had het als professionele marktpartij, bijgestaan door een op het gebied van subsidies gespecialiseerde gemachtigde, duidelijk moeten zijn dat het (tijdig) indienen van een aanvraag tot subsidievaststelling belangrijk is en dat verweerder ambtshalve de subsidie lager en dus ook op nihil kan vaststellen indien geen aanvraag om subsidievaststelling is ingediend. Dat verweerder aan appellante niet heeft meegedeeld dat de subsidie op nihil kan of zal worden vastgesteld indien appellante geen aanvraag om subsidievaststelling indient, betekent dan ook niet dat verweerder ter zake onzorgvuldig heeft gehandeld dan wel dat verweerder de subsidie in redelijkheid niet op nihil heeft kunnen vaststellen. Hoewel appellante terecht heeft opgemerkt dat blijkens de aantekening op het e-mailbericht van 15 januari 2014 het kennelijk verweerders voorkeur had dat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie volledig zou worden ingediend, moet worden vastgesteld dat verweerder appellante daarna bij brief van 31 januari 2014 opnieuw in de gelegenheid heeft gesteld de aanvraag in te dienen en dat verweerder (de toenmalige gemachtigde van) appellante op 13 februari 2014 telefonisch heeft benaderd om te bewerkstelligen dat uiterlijk 14 februari 2014 (eventueel een onvolledige) aanvraag zou worden ingediend. Appellante mocht er dus niet meer op vertrouwen dat de voorkeur van verweerder voor een buiten de termijn ingediende volledige aanvraag zwaarder zou wegen dan een binnen de termijn ingediende onvolledige aanvraag. Dat de brief van 31 januari 2014 automatisch is opgemaakt en kennelijk niet is toegesneden op het concrete geval en dus ook geen rekening houdt met de termijn die daadwerkelijk nodig is om de aanvraag tot vaststelling van de subsidie te doen, doet niets af aan het gegeven dat verweerder reeds op 30 december 2013 met appellante heeft afgesproken dat uitstel tot 14 januari 2014 akkoord is en dat verweerder, na vastgesteld te hebben dat appellante ook op 14 januari 2014 nog geen aanvraag had ingediend, appellante bij brief van 31 januari 2014 opnieuw een termijn van twee weken heeft gegeven om een aanvraag tot subsidievaststelling in te dienen. Appellante heeft bovendien niet binnen die termijn van twee weken – ook niet op
13 februari 2014 toen verweerder haar (toenmalige gemachtigde) heeft benaderd – aan verweerder kenbaar gemaakt dat die termijn van twee weken te kort was om de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in te dienen dan wel een onvolledige aanvraag ingediend zoals verweerder op 13 februari 2014 had gesuggereerd, maar heeft ermee volstaan buiten die termijn een verzoek om uitstel in te dienen en heeft aldus het risico aanvaard dat verweerder de aanvraag tot subsidievaststelling ambtshalve zou vaststellen op nihil.
27 maart 2003, hiervoor aangehaald).