ECLI:NL:CBB:2005:AT4986
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Intrekking taxivergunning wegens niet voldoen aan vakbekwaamheidseis
Appellant, handelend onder de naam Taxibedrijf B, kreeg in 2001 een vergunning voor taxivervoer verleend op basis van de vakbekwaamheid die werd ingebracht door procuratiehouder C. Na een controle in 2003 stelde de Inspectie Verkeer en Waterstaat vast dat niet langer aan de vakbekwaamheidseis werd voldaan, omdat C slechts beperkt leiding gaf en daarnaast veel uren als chauffeur werkte. Verweerder trok daarop de vergunning per januari 2004 in. Appellant maakte bezwaar, maar verscheen niet op de hoorzitting. De intrekking werd gehandhaafd.
Appellant voerde aan dat een medewerker zich voorbereidde op de vereiste examens en dat hij zelf ook bezig was met vakbekwaamheid, en dat verweerder in vergelijkbare gevallen coulance toonde. Het College overwoog dat de wet vereist dat de vakbekwame persoon permanent en daadwerkelijk leiding geeft, met inhoudelijke betrokkenheid bij de bedrijfsvoering en vertegenwoordigingsbevoegdheid. Uit de stukken bleek dat C slechts enkele uren per week leiding gaf en daarnaast 20 tot 30 uur per week als chauffeur werkte, en dat de ondernemer zelf de wezenlijke beslissingen nam.
Het College oordeelde dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat niet langer aan de vakbekwaamheidseis werd voldaan en dat de intrekking van de vergunning rechtmatig is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde wegens gebrek aan onderbouwing. Het College wees erop dat appellant een nieuwe vergunning kan aanvragen indien aan de eisen wordt voldaan. De belangen van appellant zijn voldoende gewogen door het verlenen van uitstel.
De uitspraak werd gedaan door mr. M.A. Fierstra namens het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 1 maart 2005.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de taxivergunning wordt ongegrond verklaard en de intrekking bevestigd.