3. De middelen van beroep
Appellant heeft tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen voorgedragen.
3.1 In het eerste middel betoogt appellant dat de raad van tucht de feiten onjuist dan wel onvolledig heeft vastgesteld.
Allereerst komt de aard van de door E B.V. (hierna: E) aan appellant gegeven opdracht niet juist naar voren. Appellant heeft geen forensisch onderzoek ingesteld noch het gedrag van individuele personen onderzocht.
Voorts heeft de raad van tucht verzuimd te vermelden dat F B.V. (hierna: F) in oktober 2001 failliet is verklaard. Ten tijde van het litigieuze onderzoek had de vennootschap geen fungerende directie en berustte de administratie bij de curator, zodat appellant uitsluitend met diens toestemming de administratie heeft kunnen inzien.
Verder heeft appellant over zijn bevindingen uitsluitend aan de advocaat van zijn opdrachtgever gerapporteerd.
De raad van tucht heeft ten onrechte als vaststaand aangenomen dat de nota’s waarover appellant heeft gerapporteerd dateren van 22 januari 1998 en niet van 2 januari 1998. Dat klager facturen van eerstgenoemde datum heeft getoond betekent niet dat dit de facturen waren die appellant in de administratie van F heeft aangetroffen. Zelfs indien sprake zou zijn geweest van een schrijffout van appellant dan tast dit niet de conclusie aan dat met deze kostenposten geschoven is omdat deze kosten, die zien op het boekjaar 1997, niet in de jaarrekening van 1997 zijn verantwoord. Hooguit gaat het dan om een ondergeschikte fout in de rapportering.
3.2 Het tweede middel bestrijdt de gegrondverklaring door de raad van tucht van klachtonderdeel a, inhoudende dat appellant in zijn brieven van 25 oktober 2001, 16 november 2001 en 5 december 2001 te stellige, onjuiste en voor klager schadelijke conclusies heeft getrokken en dat hij klager en diens accountant voorafgaand aan het uitbrengen van deze brieven niet heeft gehoord zodat de brieven een deugdelijke grondslag ontberen.
Appellant betoogt dat hij deze drie brieven, anders dan de raad van tucht heeft overwogen, niet naar buiten heeft gebracht. Hij heeft uitsluitend aan de advocaat van zijn opdrachtgever gerapporteerd.
Voorts kan appellant niet worden verweten dat hij zijn bevindingen met te grote stelligheid naar voren heeft gebracht. In zijn brief van 25 oktober 2001 heeft appellant genoegzaam duidelijk gemaakt wat zijn opdracht inhield, zodat ook de door hem gemaakte voorbehouden voor de lezer duidelijk moeten zijn geweest. Deze voorbehouden hebben, anders dan de raad van tucht heeft overwogen, geen algemeen karakter.
Met betrekking tot het verwijt dat hij klager en diens accountant niet heeft gehoord betoogt appellant dat reeds op het moment dat hij zijn onderzoek startte enig vermoeden bestond van financiële fraude gepleegd door klager. Als appellant klager vóór een (nog te verrichten) vervolgonderzoek zou hebben gehoord zou dat de kans op een goede waarheidsvinding in dat vervolgonderzoek hebben verkleind. In dit verband is van belang dat de Handleiding bij de Verordening op de Fraudemelding (hierna: Handleiding) de accountant de mogelijkheid biedt om in geval van het vermoeden van directiefraude, het horen van het van fraude verdachte directielid achterwege te laten, indien hij dat strijdig acht met het doel van het vervolgonderzoek.
Uit de omstandigheid dat klager zijn geschil met de opdrachtgever van appellant heeft geschikt blijkt dat het uit zijn onderzoek geresulteerde bewijsmateriaal deugdelijk was.
3.3 Het derde middel strekt ten betoge dat de raad van tucht klachtonderdeel f, inhoudende dat appellant in zijn brief van 5 december 2001 een oordeel heeft uitgesproken over het werk van een andere accountant zonder deze voorafgaand in de gelegenheid te stellen te reageren op appellants bevindingen, ten onrechte gegrond heeft verklaard.
Hij heeft nergens een impliciet oordeel gegeven, maar zich op goede gronden van een oordeel onthouden, juist omdat hij vond dat vervolgonderzoek noodzakelijk was. De raad van tucht heeft over het hoofd gezien dat hij hieraan nooit is toegekomen. Appellants opmerking dat de verklaring van de heer G, de financiële man van F (hierna: G), aansloten bij zijn eigen bevindingen, is slechts een feitelijke constatering.
Voorts heeft hij bij brief van 8 maart 2002 de heer H RA van I Accountants (hierna: H) verzocht om nadere inlichtingen. Hierop heeft hij nimmer een reactie ontvangen, hetgeen duidt op de juistheid van zijn bevindingen.
Daarnaast heeft hij zich gehouden aan de Handleiding. De raad van tucht heeft ten onrechte overwogen dat deze handleiding geen aanwijzingen bevat die direct betrekking hebben op onderhavige casus.
3.4 In het vierde middel betoogt appellant dat de hem door de raad van tucht opgelegde maatregel van schriftelijke berisping niet proportioneel is. Appellant is sedert 1973 registeraccountant, is tot onderhavige zaak nimmer met de tuchtrechter in aanraking geweest en heeft een uitstekende reputatie. Voorts heeft de raad van tucht in andere zaken de uitspraak op zich een genoegzame sanctie geacht.