ECLI:NL:CBB:2005:AT8869
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Intrekking taxivergunning wegens niet voldoen aan vakbekwaamheidseis na terugtreden procuratiehouder
Appellant, exploitant van een taxibedrijf, kreeg in 2000 een vergunning verleend op basis van de vakbekwaamheid van een procuratiehouder. Na het terugtreden van deze procuratiehouder in 2004 stelde de Minister vast dat niet langer aan de vakbekwaamheidseis werd voldaan en trok de vergunning in. Appellant maakte bezwaar en stelde onder meer dat hij bezig was met het behalen van zijn vakbekwaamheidsexamens en dat de intrekking in strijd was met beleidsregels.
Het College oordeelde dat de eis van vakbekwaamheid inhoudt dat er permanent en daadwerkelijk leiding moet worden gegeven door een vakbekwame persoon binnen de onderneming. Aangezien de procuratiehouder was teruggetreden en appellant zelf niet vakbekwaam was, werd vastgesteld dat niet aan deze eis werd voldaan. Het College vond dat de Minister terecht de vergunning had ingetrokken en dat het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheid niet verhinderen dat een vergunning wordt ingetrokken als niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan.
Verder werd overwogen dat appellant reeds ruim uitstel had gekregen en dat het verzoek om nader uitstel niet aan het College maar aan de Minister toekomt. De stelling dat de intrekking niet voor 1 januari 2005 mocht plaatsvinden op grond van beleidsregels werd verworpen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de taxivergunning wordt ongegrond verklaard en de intrekking gehandhaafd.