ECLI:NL:CBB:2005:AU4645
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- B. Verwayen
- M.A. Fierstra
- J.L.W. Aerts
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke handhaving maatregelen tegen bruinrotbesmetting aardappelen op basis van Plantenziektenwet
Appellant maakte bezwaar tegen besluiten van de Minister van Landbouw waarin partijen aardappelen van appellant werden vastgelegd voor nader onderzoek en waarschijnlijk besmet verklaard met de bruinrotbacterie Ralstonia solanacearum. De besmettingen waren vastgesteld bij partijen van andere telers, die pootgoed van dezelfde teler T hadden afgenomen als appellant.
Het College oordeelt dat de Minister terecht heeft vastgesteld dat de partij van appellant dezelfde herkomst heeft als de besmette partijen en dat het vastleggen voor nader onderzoek op basis van een vermoeden van besmetting gerechtvaardigd was. Hoewel klonale verwantschap niet onomstotelijk is aangetoond, is het voldoende aannemelijk dat de besmetting zich op het bedrijf van T heeft voorgedaan en dat de partijen van appellant waarschijnlijk besmet zijn.
Appellant voerde aan dat de partijen niet klonaal verwant konden zijn en dat de Minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar stamverwantschap, maar het College achtte de motivering van de Minister voldoende en vond dat het algemeen belang bij bestrijding van bruinrot zwaarder weegt dan individuele bedrijfseconomische belangen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en appellant wordt verwezen naar de mogelijkheid een schadevergoeding aan te vragen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de besluiten van de Minister tot vastlegging en waarschijnlijk besmetverklaring van zijn aardappelpartijen met bruinrot wordt ongegrond verklaard.