3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder
Bij het bestreden besluit heeft verweerder - onder meer - het volgende overwogen.
Het protocol is niet gericht op het verlenen van een juridische uitzonderingsstatus. Het formaliseert slechts een apart handhavingtraject ten aanzien van een zeer specifieke, gelimiteerde groep veehouders, die reeds ten tijde van de invoering van de oormerkverplichting bij verweerder bekend waren en die wegens gewetensbezwaren niet bereid waren hun rundvee te oormerken. In overleg met de Tweede Kamer is destijds geen aparte regeling voor deze groep vastgesteld, maar is besloten tot een handhavingsbeleid gericht op uitsterving. Indien de betreffende veehouders zich houden aan de hen extra opgelegde verplichtingen als vervat in het protocol, dan leidt het niet-oormerken van het rundvee door deze veehouders niet tot verbalisering. In 1999 ging het nog om 80 bedrijven, welk aantal inmiddels is geslonken tot 30. Zodra de laatste veehouders van de groep stoppen met het houden van runderen, wordt het protocol ingetrokken.
Appellante bhoort niet tot de eerdergenoemde specifieke, gelimiteerde groep en valt derhalve buiten het protocol. Appellante heeft ter hoorzitting verklaard ten tijde van het invoeren van de oormerkverplichting nog geen runderen te hebben gehouden. Voor varkens, schapen en geiten wordt de I&R regelgeving onverkort gehandhaafd, aldus verweerder.
Hoewel de regelgeving overtreding van de verplichting tot oormerken uitdrukkelijk verbiedt, wil appellante niet (meer) oormerken. Het verzoek van 8 maart 2003 is dan ook een verzoek om te gedogen. De mededeling in de brief van 9 april 2003 dat appellante niet kan deelnemen aan het gewetensbezwaardenprotocol is een niet op rechtsgevolg gerichte mededeling dat het niet naleven van de oormerkverplichting niet kan worden gedoogd. Er is dus geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk is.
Verweerder heeft voorts ter zitting naar voren gebracht dat het contract van appellante met de gemeente Utrecht over haar grond onlangs is ontbonden en dat haar (rund)vee zich niet meer op de betreffende grond bevindt. Over het jaar 2004 zijn door verweerder geen formulieren ontvangen en in 2003 is appellante slechts geregistreerd als houdster van
5 geiten en 5 schapen. De koeien van appellante zijn uitgeschaard zodat die niet langer onder haar verantwoordelijkheid vallen. In verband hiermee vraagt verweerder zich af of appellante nog wel een procesbelang heeft. Verweerder refereert zich overigens op dit punt aan het oordeel van het College.
Verweerder heeft voorts toegelicht dat het gedoogbeleid dat ten aanzien van de in 1992/1993 bekende groep gewetensbezwaarde veehouders wordt gevoerd, in 2000 voor het eerst is geformaliseerd in een protocol. Aan dat protocol is nooit algemene bekendheid gegeven, het is slechts toegestuurd aan degenen die reeds in 1992/1993 bij verweerder op de lijst van gewetensbezwaarden voorkwamen. Thans zijn nog ongeveer 30 gewetensbezwaarden over op een totaal van ruwweg 50.000 rundveehouders en 50.000 houders van schapen en geiten. Ten aanzien van al die andere veehouders is nooit een gedoogbeleid gevoerd. Het gaat dus wel degelijk om een beslissing niet te gedogen en niet om de toepassing van een regeling.