ECLI:NL:CBB:2006:AV0356
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- M.A. van der Ham
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- M. van Duuren
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ondertoezichtplaatsing rundveebedrijf wegens aanwezigheid verboden stof 17ß-boldenon
Appellante, een rundveebedrijf, werd onder toezicht geplaatst nadat bij monsters van acht stieren 17ß-boldenon, een verboden stof met androgene werking, was vastgesteld. De monsters waren genomen door het Controle Bureau Dierlijke Sector en onderzocht door TNO Voeding, een erkend laboratorium. Appellante betwistte de aanwezigheid van de stof en stelde dat 17ß-boldenon ook lichaamseigen kan zijn, verwijzend naar wetenschappelijk onderzoek en correspondentie van het RIVM.
Het College overwoog dat het verbod uit Richtlijn 96/22/EG niet alleen het toedienen van verboden stoffen verbiedt, maar ook het houden en verhandelen van dieren waarin deze stoffen aanwezig zijn. De opname van 17ß-boldenon op de lijst van voorlopig verboden stoffen verandert hier niets aan. Het onderzoek naar de aanwezigheid van de stof was volgens het College deugdelijk uitgevoerd conform de vereisten van de richtlijnen en de nationale regelgeving.
Appellante voerde verder aan dat de monsterneming niet volgens de voorgeschreven procedures was uitgevoerd en dat een contra-expertise ontbrak. Het College oordeelde dat de monsters in het kader van zelfcontrole waren genomen, maar dat de werkwijze vergelijkbaar was met officiële monsternemingen. Bovendien had appellante geen contra-expertise aangevraagd, waardoor zij het risico droeg van het verval van de monsters.
Gelet op de vastgestelde aanwezigheid van de verboden stof was de ondertoezichtplaatsing van het bedrijf terecht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de ondertoezichtplaatsing van het rundveebedrijf wegens aanwezigheid van 17ß-boldenon wordt ongegrond verklaard.