ECLI:NL:CBB:2006:AV1025
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling doorhaling inschrijving tussenpersoon wegens onvoldoende feitelijke leiding
Appellant was sinds 1995 ingeschreven als tussenpersoon met B als feitelijk leidinggevende. Verweerder besloot tot doorhaling van de inschrijving omdat appellant niet aannemelijk maakte dat B daadwerkelijk de feitelijke leiding voerde, mede vanwege diens beperkte aanwezigheid en rol als adviseur. Appellant voerde aan dat hij onterecht was doorgehaald in 1985 en dat B feitelijk leiding gaf, maar het College oordeelde dat appellant niet voldeed aan de vakbekwaamheidseisen en dat de feitelijke leiding onvoldoende was aangetoond.
Tijdens de procedure verscheen appellant niet bij de zitting, maar reageerde schriftelijk op het nader onderzoek van verweerder. Het College stelde vast dat B slechts twee dagen per week op kantoor was en vooral administratieve taken verrichtte, wat niet voldeed aan de vereisten van feitelijke leiding volgens de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (Wabb). De doorhaling van de inschrijving werd daarom gehandhaafd.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waarbij het College benadrukte dat de feitelijke leiding stelselmatige vakinhoudelijke inbreng en beheer van de portefeuille vereist. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de doorhaling van de inschrijving in het register van tussenpersonen wordt ongegrond verklaard.