ECLI:NL:CBB:2006:AZ0218
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.C. Cusell
- W.E. Doolaard
- E.J.M. Heijs
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over definitie en voorwaarden zoogkoeienpremie in Nederlandse regeling
Appellant heeft beroep ingesteld tegen besluiten van de Minister van Landbouw over de toekenning van zoogkoeienpremies voor de jaren 2002 en 2003. De kern van het geschil betreft de uitleg van het begrip 'zoogkoe' zoals bedoeld in Europese verordeningen en de nadere uitwerking daarvan in de Nederlandse Regeling dierlijke EG-premies. Volgens de Nederlandse regeling moeten kalveren minimaal vier maanden bij de moederkoe blijven om voor premie in aanmerking te komen.
Verweerder baseert deze eis op interpretaties van de Europese Commissie en de gangbare Nederlandse landbouwpraktijk. Appellant betwist dat deze nationale eis verenigbaar is met de Europese regelgeving, die het begrip zoogkoe omschrijft als een koe die behoort tot een beslag dat wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de vleesproductie, zonder een expliciete termijn van vier maanden.
Het College oordeelt dat de Nederlandse regeling een beoordeling op individueel koe-niveau hanteert en dat deze niet strijdig lijkt met de Europese verordening. Echter, vanwege onzekerheid over de verenigbaarheid met het Europese recht, besluit het College het onderzoek te heropenen en prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de rechtmatigheid van de nationale regeling en de criteria voor het begrip 'beslag'.
Uitkomst: Het College heropent het onderzoek en stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van de Nederlandse regeling met Europese verordeningen.