2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Bij besluit van 22 april 2003 heeft AFM aan appellante meegedeeld dat haar inschrijving in het register als cliëntenremisier op grond van artikel 21, vijfde lid, Wte 1995 met onmiddellijke ingang wordt doorgehaald, omdat de betrouwbaarheid van B en C, als dagelijks beleidsbepalers van de effecteninstelling A v.o.f. (hierna ook: A) niet meer buiten twijfel staat.
- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 12 mei 2003 bezwaar gemaakt.
- Appellante is op 9 juli 2003 omtrent haar bezwaren gehoord.
- Bij besluit van 20 augustus 2003 (hierna: besluit I) heeft AFM het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
- Hiertegen heeft appellante bij brief van 29 september 2003 beroep ingesteld bij de rechtbank.
- Bij uitspraak van 28 juli 2004 (hierna: uitspraak I) heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen besluit I gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat AFM onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante in de periode tussen 1 mei 2001 – datum waarop AFM A als cliëntenremisier heeft geregistreerd – en 22 april 2003 – datum waarop het primaire besluit is genomen – zich schuldig heeft gemaakt aan:
a.) overtreding als cliëntenremisier van het bemiddelingsverbod van artikel 7, eerste lid, Wte 1995;
b.) het aanvaarden van contracten van niet geregistreerde cliëntenremisiers; en
c.) op grond van een exclusiviteitsbeding meewerken aan een ‘gelaagde’ constructie door contracten van andere cliëntenremisiers door te leiden naar AEGON Financiële Diensten B.V. (hierna: AFD).
- Tegen deze uitspraak van de rechtbank is geen hoger beroep ingesteld.
- Bij besluit van 3 november 2004 (hierna: besluit II) heeft AFM opnieuw op het bezwaar van appellante beslist en daarbij het besluit van 22 april 2003, gedeeltelijk op andere gronden, gehandhaafd. AFM heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit dat appellante op 1 mei 2001 de status van cliëntenremisier heeft verkregen, niet betekent dat het oordeel omtrent de betrouwbaarheid van B en C als beleidsbepalers van appellante niet zou kunnen worden gebaseerd op overtredingen van de Wte 1995 door appellante vóór die datum. AFM is van mening dat appellante zich schuldig heeft gemaakt aan:
a.) het aanbieden van het product VermogensConcept door het uitgeven van een brochure en het geven van voorlichtingsavonden, zonder over een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, Wte 1995 te beschikken;
b.) het door het ontvangen van ingevulde en ondertekende aanvraagformulieren van cliënten en het rechtstreeks doorsturen daarvan aan AFD verrichten van een dienst als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder h, van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999) zonder daartoe over een vergunning te beschikken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, Wte 1995; en
c.) het overtreden van artikel 21, zesde lid, Wte 1995 doordat appellante ten tijde van deze overtredingen niet als cliëntenremisier stond ingeschreven.
- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 1 december 2004 beroep ingesteld bij de rechtbank.
- Bij de aangevallen uitspraak van 29 juli 2005 (hierna: uitspraak II) heeft de rechtbank het beroep van appellante gegrond verklaard, besluit II vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit II in stand blijven.