ECLI:NL:CBB:2007:BA1566
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen superheffing berekening voor vernietigde kaas afgewezen
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Productschap Zuivel waarin de superheffing over de heffingsperiode 2004/2005 werd vastgesteld op basis van de hoeveelheid geleverde kaas, inclusief 2.109 kilogram kaas die later werd vernietigd wegens bacteriële besmetting.
Het geschil betrof de vraag of deze vernietigde kaas moest worden meegenomen in de berekening van de superheffing. Appellante stelde dat de kaas niet mee mocht tellen omdat deze niet geconsumeerd was en dat dit tot rechtsongelijkheid leidde ten opzichte van melkveehouders die verontreinigde melk in de mestput laten lopen.
Het College oordeelde dat de kaas het bedrijf feitelijk heeft verlaten en daarmee vermarkt is in de zin van de relevante EU-verordeningen. Omdat de vernietiging niet plaatsvond op grond van gezondheidsmaatregelen van een bevoegde autoriteit, mocht de hoeveelheid kaas worden meegenomen in de heffingsberekening.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn. Ook het argument van dubbele negatieve waarde van de kaas werd verworpen omdat appellante anders een vergoeding voor de kaas zou hebben ontvangen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de superheffing over de vernietigde kaas wordt ongegrond verklaard.