ECLI:NL:CBB:2007:BB8473
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit energie-investeringsaftrek wegens onjuiste toetsing investeringsverplichting
Appellante, een vennootschap die investeerde in vijf windturbines en locatierechten, stelde beroep in tegen het besluit van de Minister van Economische Zaken dat een verklaring energie-investeringsaftrek (EIA) slechts gedeeltelijk toekende. Het geschil betrof de vraag of investeringen die voortvloeiden uit verschillende overeenkomsten met verschillende partijen onder één melding konden worden gebracht.
De kern van het geschil lag bij de beoordeling of de investeringsverplichting die appellante op 24 september 2002 was aangegaan met een leverancier (D B.V.) ook de latere investeringen onder een andere partij (I B.V.) kon omvatten. Verweerder had dit ontkend omdat er geen sprake was van een formele overname van verplichtingen en verwees naar een eerdere uitspraak van het College uit 1993 die appellante probeerde toe te passen.
Het College oordeelde dat verweerder bij zijn beslissing ten onrechte de mate van uitvoering van de investeringsverplichting had betrokken, terwijl deze toetsing behoort tot de taak van de inspecteur van de Belastingdienst bij het vaststellen van de belastbare winst. Omdat verweerder niet de juiste toetsingscriteria uit de Uitvoeringsregeling had toegepast, kon het besluit niet in stand blijven en werd het vernietigd.
Daarnaast veroordeelde het College de Staat tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellante. De overige beroepsgronden bleven onbesproken vanwege het vernietigende oordeel.
Uitkomst: Het College vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op opnieuw te beslissen met correcte toepassing van de Uitvoeringsregeling.