ECLI:NL:CBB:2007:BC2473
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toevoeging ongebruikte melkreferentiehoeveelheid aan nationale reserve
Appellant beschikte over een referentiehoeveelheid melk van 394.659 kg voor de heffingsperiode 2004/2005, maar leverde slechts 233.499 kg melk, minder dan 70% van deze hoeveelheid. Verweerder voegde daarom 161.160 kg toe aan de nationale reserve op grond van artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1788/2003. Appellant maakte bezwaar en stelde dat sprake was van overmacht en een deugdelijk gemotiveerd geval dat tijdelijk de productiecapaciteit beïnvloedde, vanwege persoonlijke omstandigheden en gezondheidsproblemen.
Het College oordeelde dat het besluit van verweerder om het bezwaar ongegrond te verklaren terecht was. De omstandigheden van appellant, waaronder het besluit tot beëindiging van de melkveehouderij en gezondheidsproblemen, werden niet als tijdelijk of als overmacht aangemerkt. De vaste jurisprudentie van het Europese Hof vereist dat overmacht zich kenmerkt door abnormale, onvoorzienbare omstandigheden buiten de macht van de ondernemer, wat hier niet het geval was.
Ook werd geoordeeld dat onbekendheid met regelgeving geen overmacht vormt. Verweerder had bovendien niet onterecht geen onderzoek verricht naar een deugdelijk gemotiveerd en erkend geval dat tijdelijk de productiecapaciteit beïnvloedde, omdat de situatie van appellant niet aan deze criteria voldeed. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de toevoeging van ongebruikte melkreferentiehoeveelheid aan de nationale reserve wordt ongegrond verklaard.