ECLI:NL:CBB:2008:BC8215

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
12 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 04/159
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:1 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken rechtstreeks belang bij restitutiebesluit

In deze zaak heeft Socopa International S.A., gevestigd te Parijs, beroep ingesteld tegen een besluit van het Productschap Vee en Vlees waarin restituties aan Eldru, eveneens een Franse vennootschap, zijn afgewezen, ingetrokken en teruggevorderd met een sanctie.

Het beroep werd ingesteld tegen een besluit dat niet aan Socopa International was gericht, maar aan Eldru. Hoewel er een verband tussen beide partijen bestaat, oordeelde het College dat dit onvoldoende is om te spreken van een rechtstreeks belang van Socopa International bij het besluit, zoals vereist op grond van artikel 1:2 Awb Pro.

Na een uitgebreide procedure met meerdere verzoeken tot uitstel en nadere stukken, vond op 30 januari 2008 de mondelinge behandeling plaats. Het College concludeerde dat Socopa International niet ontvankelijk is in haar beroep en wees een proceskostenveroordeling af.

Het beroep werd derhalve niet-ontvankelijk verklaard, waarmee de beslissing van het Productschap Vee en Vlees in stand bleef.

Uitkomst: Het beroep van Socopa International S.A. wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van rechtstreeks belang.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 04/159 12 maart 2008
7200 Restitutie
Uitspraak in de zaak van:
Socopa International S.A., te Parijs (Frankrijk), appellante,
gemachtigden: mr. D. Grisay, advocaat te Brussel (België), en mr. ing. B.J.B. Boersma, advocaat bij Simmons & Simmons te Rotterdam,
tegen
het Productschap Vee en Vlees, verweerder,
gemachtigde: mr. A.F. Ordogh, en J.L.M. van Schendel, beiden werkzaam bij verweerder.
1. De procedure
Op 27 februari 2004 heeft het College van mr. R.G.A. Tusveld en mr. A.W. Stoffels, beiden werkzaam bij PricewaterhouseCoopers Belastingadviseurs N.V., een brief ontvangen, waarbij namens appellante beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 januari 2004 met zaaknummer Vm-03/028 (Eldru).
Bij het bestreden besluit is beslist op het bezwaar van Eldru, vennootschap naar Frans recht en zetelend te Parijs, tegen verweerders primaire besluit dat is gedateerd 19 mei 2003 en is gericht aan Eldru.
Bij dat primaire besluit zijn restituties voor partijen rundvlees afgewezen en voor zover reeds verleend, ingetrokken, en is het daarmee gemoeide restitutiebedrag van € 86.587,71 teruggevorderd, verhoogd met 15% zijnde € 12.988,17, en is een sanctie opgelegd van 50% zijnde € 57.725,16.
Bij brief van 26 maart 2004 heeft appellante verzocht om uitstel voor het indienen van een nadere motivering van het beroep.
Op 8 april 2004 heeft het College van mr. R.G.A. Tusveld een machtiging ontvangen, waarbij mr. R.G.A. Tusveld en mr. G.J. van Slooten - ook laatstgenoemde is werkzaam bij PricewaterhouseCoopers Belastingadviseurs N.V. - door Eldru worden gemachtigd om haar te vertegenwoordigen in de onderhavige procedure.
Op 24 mei 2004 heeft Eldru de gronden van het beroep bij het College ingediend.
Op 14 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Het College heeft partijen uitgenodigd voor de behandeling van het beroep ter zitting van 20 mei 2005. Op verzoek van appellante is de behandeling ter zitting uitgesteld.
Bij brief van 30 juni 2005 heeft appellante verzocht de behandeling aan te houden, welk verzoek het College bij brief van 6 juli 2005 heeft ingewilligd.
Appellante heeft bij brief van 13 oktober 2005 een nader stuk ingediend en bij brief van 20 oktober 2005 haar standpunt nader toegelicht en onder meer om verdere aanhouding verzocht.
Bij brief van 26 september 2006 heeft het College partijen in het vooruitzicht gesteld het beroep op 20 december 2006 ter zitting te behandelen. Op verzoek van appellante is de behandeling ter zitting uitgesteld.
Bij brief van 2 maart 2007 heeft appellante haar standpunt nader bepaald.
Bij brief van 13 juni 2007 hebben mr. R.G.A. Tusveld en mr. G.J. van Slooten bericht dat zij appellante niet langer vertegenwoordigen in de onderhavige procedure.
Op 30 januari 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht bij monde van hun gemachtigden.
2. De ontvankelijkheid van het beroep
Ingevolge artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen.
Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken, naar bij artikel 1:2, eerste lid, Awb is bepaald.
Het bestreden besluit is niet gericht aan appellante, maar aan Eldru, is genomen op het bezwaar van Eldru en betreft aan Eldru geweigerde restituties en van Eldru teruggevorderde restituties en gevorderde sanctiebedragen. Dat, zoals ter zitting aangevoerd, enig verband bestaat tussen Eldru en appellante, maakt niet dat appellantes belang ook rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken in de zin van artikel 1:2 eerste Pro lid, Awb.
De conclusie is dat het beroep van appellante niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard.
Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
3. De beslissing
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. E.J.M. Heijs en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008.
w.g. W.E. Doolaard w.g. R. Meijer