5. De beoordeling van het geschil
Het College overweegt dat de monsterneming, het transporteren, het bewaren en het onderzoek van het monster, alsmede de verwerking van de uitslag van het onderzoek dient plaats te vinden volgens door verweerder vastgestelde regels en procedures, zoals neergelegd in de Zuivelverordening 2000, Uitbetaling van boerderijmelk naar kwaliteit, samenstelling en gewicht, de Zuivelverordening 2000, Handmatig nemen, transporteren en bewaren van monsters boerderijmelk, alsmede de Zuivelverordening 2003, Eisen methoden van onderzoek. Het toezicht op de naleving van deze regels wordt uitgevoerd door het - door verweerder daartoe aangewezen - COKZ. Deze regels en procedures, alsmede het toezicht op de naleving bieden een voldoende waarborg voor de zorgvuldigheid en juistheid van het onderzoek naar de kwaliteit van de melkleverantie. In verband hiermede kan worden uitgegaan van de juistheid van de uitkomst van de kwaliteitsonderzoeken.
Dit is eerst anders indien op grond van concrete aanwijzingen redelijkerwijs moet worden getwijfeld aan de juistheid van de uitkomst van het onderzoek.
Naar aanleiding van het bezwaarschrift is door de zuivelfabrikant, Campina, een intern onderzoek ingesteld naar de monsterneming, transport en opslag van het monstermelk. Zoals ter zitting desgevraagd door verweerder is verklaard, heeft dit onderzoek plaatsgevonden op basis van gegevens die eerder ten tijde van de monsterneming, transport en opslag zijn vastgelegd. Volgens dit interne onderzoek hebben zich geen bijzonderheden voorgedaan. Voorts is door het COKZ een onderzoek ingesteld naar de informatie over het monster in het traject vanaf het nemen van een monster tot en met de verwerking van de uitslag. Ook het COKZ is van onregelmatigheden niet gebleken.
Door appellanten is gesteld dat het bewijs voor de onjuistheid van de uitkomst van het onderzoek is gelegen in het gegeven dat de yoghurt die zij hebben gemaakt van de melk die een paar uur eerder uit dezelfde tank als het monster is gehaald, geen sporen van de eerdervermelde antibiotica bevatte. In verband hiermede hebben appellanten een verklaring overgelegd van een stagiaire die ten tijde van de onderhavige monsterneming werkte op hun bedrijf.
Het College is evenwel van oordeel dat deze stellingen en gegevens geen toereikende concrete aanwijzingen opleveren op grond waarvan redelijkerwijs moet worden getwijfeld aan de juistheid van de uitslag van het onderzoek. Daarbij neemt het College in aanmerking dat onvoldoende aannemelijk is kunnen worden dat de melk waarvan de yoghurt is gemaakt, dezelfde samenstelling had als de melk die bemonsterd en onderzocht is.
Al het voorgaande in ogenschouw genomen, moet worden geoordeeld dat verweerder zich bij zijn besluitvorming mocht baseren op de uitslag van het kwaliteitsonderzoek.
De grief van appellanten met betrekking tot de in het bestreden besluit genoemde mogelijke oorzaken van de aanwezigheid van zowel penicillinen als cefalosporinen faalt, reeds omdat deze overweging een overweging ten overvloede betreft.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.