ECLI:NL:CBB:2008:BF0234
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen ongegrondverklaring klacht over schending moratorium in maatschap
Appellant had een klacht ingediend tegen betrokkene wegens het schenden van een zogenoemd moratorium dat volgens appellant de ontbinding van hun maatschap opschortte en het beschikken over gelden zonder toestemming verbood. De raad van tucht verklaarde deze klacht ongegrond.
In het beroep stelde appellant dat tussen hem en betrokkene een moratorium was overeengekomen dat de ontbinding van de maatschap opschortte en dat betrokkene onrechtmatig over de gelden had beschikt. Het College oordeelde dat niet was komen vast te staan dat een dergelijk moratorium was overeengekomen. De maatschap was aangegaan voor drie jaar en was niet verlengd. Betrokkene had na afloop van de termijn zonder toestemming een bedrag opgenomen, maar was gerechtigd over het saldo te beschikken.
Het College overwoog dat het moratorium slechts tijdelijk gold tijdens bemiddeling en niet de ontbinding opschortte. De klacht faalde daarom. Ook een vermeende uitbreiding van de klacht werd niet inhoudelijk beoordeeld vanwege het verdedigingsbeginsel. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt verworpen en de klacht wordt ongegrond verklaard.