2. De beoordeling van het geschil
2.1 De beroepen zijn beperkt tot de hoogte van de door verweerder in de besluiten van 6 november 2007 toegekende vergoeding voor de door appellante gemaakte kosten.
2.2 Het College stelt voorop dat het te vergoeden bedrag voor de door appellante gemaakte kosten moet worden vastgesteld aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en de bijlage bij het Besluit. Artikel 2, derde lid, van het Besluit biedt weliswaar de mogelijkheid om hiervan in bijzondere omstandigheden af te wijken, maar van bijzondere omstandigheden is in het onderhavige geval geen sprake.
2.3 Voor de kosten die appellante in het kader van de bezwaarprocedure tegen het besluit over het jaar 2005 heeft gemaakt, komen alleen de kosten van het bezwaarschrift voor vergoeding in aanmerking.
Verweerder heeft de zaak in de herziene beslissing op het bezwaar van 6 november 2007 als licht gekwalificeerd. Het bezwaar is gericht tegen het besluit tot afwijzing van appellantes aanvraag om slachtpremie over het jaar 2005 op de grond dat appellante bij een fysieke controle op haar bedrijf door de AID geen bedrijfsregister kon tonen. In het aanvullend bezwaarschrift van 5 april 2007 is namens appellante ingegaan op de feiten ten tijde van de controle en zijn juridische stellingen betrokken (beroep op overmacht en strijd met het evenredigheidsbeginsel) teneinde alsnog slachtpremie te verkrijgen. Naar het oordeel van het College is er onvoldoende reden de onderhavige zaak als licht in plaats van gemiddeld te kwalificeren.
Het voorgaande brengt mee dat het beroep met zaaknummer AWB 07/529 gegrond is en het besluit van 6 november 2007 over het jaar 2005 gedeeltelijk dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit.
Het College zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit en zal de kosten van het bezwaarschrift alsnog vaststellen op
€ 322,--.
2.4 In de beslissing op het bezwaar van 6 november 2007 over het jaar 2006 heeft verweerder de zaak eveneens als licht gekwalificeerd. Met die kwalificatie is het College het eens, omdat de weigering van de slachtpremie over het jaar 2006 op dezelfde feiten en regels steunt als de weigering van de slachtpremie over het jaar 2005 en appellante in haar bezwaarschrift over het jaar 2006 heeft kunnen verwijzen naar de argumenten in haar bezwaarschrift over het jaar 2005.
Het beroep met zaaknummer AWB 08/509 over het jaar 2006 dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
2.5 Het College acht ten slotte termen aanwezig om verweerder op de voet van het Besluit te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep met zaaknummer AWB 07/529 redelijkerwijs heeft moeten maken.
De kosten van rechtsbijstand worden vastgesteld op 322,-- (1 punt ter waarde van € 322,-- voor het beroepschrift met wegingsfactor 1, gemiddeld gewicht). Het College merkt daarbij op dat, voorzover verweerder overeenkomstig het besluit van 6 november 2007 over het jaar 2005 voor het beroepschrift van appellante reeds € 161,-- aan appellante heeft vergoed, een te betalen bedrag van € 161,-- resteert.
De reiskosten van appellante worden op basis van openbaar vervoer voor één persoon vastgesteld op € 41,16 (retour NS tweede klasse ad € 38,40 en twee maal drie strippen voor busvervoer ad € 2,76).
Ten slotte komt appellante in aanmerking voor verletkosten die, mede naar aanleiding van hetgeen A ter zitting over appellantes inkomsten per uur heeft verklaard, worden begroot op € 240,--.