3. Het bestreden besluit
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard, waarbij hij appellant alsnog 1,34 toeslagrechten uit de nationale reserve heeft toegekend voor een investering van appellant in 1.34 ha grond in het kader van de herinrichting D.
Voor het overige heeft verweerder zijn besluit van 27 oktober 2006 gehandhaafd en hiertoe, samengevat weergegeven, als volgt overwogen:
Appellant heeft zich beroepen op overmacht en erop gewezen dat de productie van zaaizaad in de referentieperiode nadelig is beïnvloed door wildschade (ganzenvraat). Appellant heeft berekeningen overgelegd waaruit blijkt dat het productieverlies in 2000 7.867 kg, in 2001 12.216 kg en in 2002 1.637 kg is geweest. Verweerder kan zich in die berekeningen vinden.
Verweerder stelt wildschade op grond van de Communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouwsector gelijk met een natuurramp, indien de productie door deze ramp met meer dan 30% is gedaald.
In het jaar 2001 was er een productiedaling van 56%, zodat voor dit jaar de productiegroep zaaizaad bij de vaststelling van de toeslagrechten buiten beschouwing is gelaten.
Ook in 2000 was het productieverlies groter dan 30% (37%), zodat het beroep op overmacht ook voor dit jaar zou kunnen slagen. Verweerder heeft de productgroep zaaizaad in 2000 echter niet buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van de toeslagrechten, omdat dit nadelig zou uitwerken voor appellant. Gelet op de hoge productie dat jaar, zou dit immers tot minder toeslagrechten leiden dan thans berekend.
Voor het jaar 2002 blijft de productiedaling door ganzenschade in de sector zaaizaad onder de door verweerder gehanteerde grens van 30%.
Dit betekent dat verweerder bij de berekening van de toeslagrechten terecht is uitgegaan van de productiecijfers voor zaaizaad in de jaren 2000 en 2002.
Verweerder handhaaft voorts zijn besluit ten aanzien van het verzoek van appellant om hem - naast de hiervoor genoemde 1,34 toeslagrechten - tevens extra toeslagrechten toe te kennen uit de nationale reserve voor investeringen in gronden met een oppervlakte van 6.78 ha. Deze gronden zijn appellant - buiten het Plan van toedeling om en na afronding van de ruilverkaveling D - geleverd door het BBL op 29 augustus 2006. Appellant heeft betoogd dat partijen reeds in 2002 mondelinge afspraken hebben gemaakt met betrekking tot deze gronden. Slechts tengevolge van een lang slepende bezwaarprocedure resulteerde dit pas later in een schriftelijke koopovereenkomst.
Uit contacten van verweerder met de heer C van BBL is gebleken dat er sinds 2000 onderhandeld is tussen appellant en het BBL. Op 11 oktober 2004 werd volgens de heer C overeenstemming bereikt over de aankoop van de betreffende 6.78 ha. Dit resulteerde uiteindelijk op 24 januari 2005 in het tekenen van een koopovereenkomst.
Ingevolge artikel 21, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 795/2004 kunnen slechts toeslagrechten uit de nationale reserve worden toegekend voor investeringen in grond die vóór 15 mei 2004 werden aangegaan. Door appellant zijn vóór deze datum voor de aankoop van de betreffende 6.78 ha geen onomkeerbare verplichtingen aangegaan. De toepasselijke Europese regelgeving biedt geen mogelijkheden om in het geval van overmacht een investering na 15 mei 2004 te accepteren.