ECLI:NL:CBB:2009:BH3320
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- J.A. Hagen
- J.L.W. Aerts
- J. Borgesius
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding artikelen 5 en 7 Wet Bpf 2000 door bedrijfstakpensioenfonds
Stichting A had in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen een door De Nederlandsche Bank opgelegde boete wegens overtreding van artikelen 5 en 7 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. Deze artikelen verbieden onder meer het gebruik van de naam van het bedrijfstakpensioenfonds door gelieerde bedrijven en het verstrekken van specifieke informatie over regelingen die niet door het fonds zelf worden uitgevoerd.
De rechtbank Rotterdam had de boete bevestigd, stellende dat A niet was opgetreden tegen het gebruik van haar naam door de gelieerde vennootschap C en dat A onrechtmatig specifieke informatie had verstrekt over producten van C. Stichting A voerde aan dat zij geen overtreding had begaan, dat de wet onduidelijk was, dat DNB het vertrouwen had gewekt dat geen boete zou volgen, en dat de boete onredelijk hoog was.
Het College oordeelde dat de wet duidelijk is en dat A terecht is aangesproken op het niet optreden tegen het gebruik van haar naam door C en het verstrekken van specifieke informatie. Het vertrouwensbeginsel faalde omdat A zelf verantwoordelijk is voor naleving. De hoogte van de boete werd als proportioneel beoordeeld, mede gelet op de kapitaalkracht van A en de ernst van de overtredingen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van Stichting A is ongegrond verklaard en de boete van €871.250,- is bevestigd.