ECLI:NL:CBB:2009:BI7130
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen besluit over zoogkoeienpremie op grond van Regeling dierlijke EG-premies
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin bezwaren tegen besluiten over de runderpremies voor 2002 en 2003 werden behandeld. Het geschil betrof de vraag of bepaalde runderen en hun kalveren in aanmerking kwamen voor de zoogkoeienpremie, waarbij appellant stelde dat de kalveren minimaal zes maanden bij de moederkoe verbleven.
Het College heeft het beroep aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, welke in 2008 werden beantwoord. Na ontvangst van nadere stukken en het houden van een zitting waarbij appellant niet verscheen, heeft het College het geschil inhoudelijk beoordeeld.
Uit het I&R-systeem rund blijkt dat de kalveren niet gedurende de vereiste vier maanden na geboorte bij de moederkoe zijn gebleven, omdat zij eerder werden verplaatst dan de moederdieren. De door appellant aangevoerde omstandigheden konden dit niet veranderen. Het College concludeerde dat de runderen terecht als niet-premiewaardig zijn aangemerkt en verklaarde het beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het vonnis is uitgesproken op 29 april 2009 door mr. E.J.M. Heijs, in aanwezigheid van griffier mr. C.M. Leliveld.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het besluit over de zoogkoeienpremie wordt ongegrond verklaard.