ECLI:NL:CBB:2009:BJ3141
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten over zoogkoeienpremie wegens onjuiste toepassing regeling en proceskostenvergoeding
Appellant diende een aanvraag in voor zoogkoeienpremie over het jaar 2002. Verweerder kende aanvankelijk premie toe, maar herzag besluiten waarbij een deel van de premie werd teruggevorderd vanwege niet-naleving van de voorwaarde dat kalveren vier maanden bij de moeder moesten blijven. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten. Het College stelde vast dat verweerder appellant ten onrechte had ontvangen in bezwaar tegen het premierechtenbesluit en dat voor twee runderen niet aan de zoognorm was voldaan.
Appellant voerde aan dat hij niet op de hoogte was van de viermaandsvoorwaarde omdat hij een brief hierover niet had ontvangen. Het College oordeelde dat verweerder alle houders van zoogkoeien tijdig had geïnformeerd en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de brief niet had ontvangen. Het coulancebeleid van verweerder was terecht toegepast. Verder stelde het College vast dat verweerder niet duidelijk had gemaakt welke financiële consequenties de gegrondverklaring van het bezwaar had, wat in strijd was met de Awb.
Ook oordeelde het College dat appellant recht had op proceskostenvergoeding omdat de bezwaren hadden geleid tot toekenning van aanvullende premie. Het beroep werd gegrond verklaard, de besluiten vernietigd, het bezwaar tegen het premierechtenbesluit niet-ontvankelijk verklaard en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten van 26 oktober 2004 en 1 juni 2005 worden vernietigd met toekenning van proceskostenvergoeding aan appellant.