ECLI:NL:CBB:2010:BM2583

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
4 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/911
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.4b Regeling dierlijke EG-premiesArt. 2.6 lid 4 Regeling dierlijke EG-premiesArt. 7:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 35 lid 2 Verordening (EG) nr. 2342/1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing slachtpremie wegens te late slachtmeldingen volgens Regeling dierlijke EG-premies

Appellante verzocht om slachtpremie voor vijf runderen die op 12 december 2003 bij een slachthuis zijn geslacht. De slachtmeldingen aan het I&R-systeem rund werden echter pas op 21 februari 2004 geregistreerd, ruim na de termijn van 25 dagen zoals voorgeschreven in de Regeling dierlijke EG-premies. Verweerder wees de aanvragen af wegens het niet tijdig indienen van de slachtmeldingen. Appellante stelde dat de fout niet aan haar lag, maar bij het slachthuis of het meldingssysteem, en dat een ruimere marge voor verwerkingstijd gehanteerd moest worden.

Het College oordeelde dat de regeling vereist dat de slachtmelding door het slachthuis binnen 25 dagen na slacht wordt gedaan en dat de risico's van fouten in het meldingssysteem voor rekening van de producent komen. De gehanteerde marge van vijf verwerkingsdagen is gebaseerd op praktijk en gerechtvaardigd. Het College vond geen reden om van deze lijn af te wijken en concludeerde dat de aanvragen terecht zijn afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de slachtpremieaanvragen wordt gehandhaafd.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
(zesde enkelvoudige kamer)
AWB 08/911 4 maart 2010
5125 Regeling dierlijke EG-premies
Uitspraak in de zaak van:
Maatschap A en B, te C, appellante,
gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies te Drachten,
tegen
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
gemachtigde: bc. R. Weltevreden, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.
1. Het procesverloop
Bij besluit van 29 april 2004 heeft verweerder de aanvraag van appellante om slachtpremie voor het jaar 2003 op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) gedeeltelijk afgewezen.
Bij besluit van 28 september 2004 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 november 2005 (AWB 04/904, www.rechtspraak.nl, LJN: AU7839) heeft het College het beroep tegen het besluit van 28 september 2004 gegrond verklaard en dit besluit wegens strijd met artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vernietigd.
Op 31 januari 2006 is appellante over haar bezwaar gehoord.
Bij besluit van 14 oktober 2008 heeft verweerder het bezwaar van appellante wederom ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen dit besluit bij brief van 19 november 2008, bij het College binnengekomen op 20 november 2008, beroep ingesteld.
Bij brief van 18 december 2008 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.
Op 6 maart 2009 heeft het College van verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen.
Op 11 februari 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij namens appellante B en haar gemachtigde zijn verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
2. De beoordeling van het geschil
2.1 Het bestreden besluit, waarbij de afwijzing van de aanvragen om slachtpremie voor appellantes runderen met de ID-codes NL *, NL **, NL ***, NL **** en NL ***** (hierna: de vijf runderen) is gehandhaafd, berust – samengevat weergegeven – op de volgende motivering.
Voor de vijf runderen, die op 12 december 2003 bij Dumeco in Tilburg zijn geslacht, zijn de slachtmeldingen aan het I&R-systeem rund pas op 21 februari 2004 gedaan. Ook na eigen onderzoek door verweerder is niet gebleken dat voor deze runderen eerder slachtmeldingen zijn gedaan. Aangezien de slachtmeldingen op 21 februari 2004 niet binnen 25 dagen na de slacht op 12 december 2003 hebben plaatsgevonden, zijn de aanvragen voor deze vijf runderen op grond van artikel 2.6, vierde lid, van de Regeling terecht afgewezen.
2.2 Appellante heeft – samengevat weergegeven – het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.
Door Dumeco is al op 21 september 2004 de complete slachtlijst van 12 december 2003 overgelegd, waarop alle zes op die dag geslachte runderen van appellante voorkomen. Het is vreemd dat voor slechts één van deze zes runderen de slachtmelding bij het I&R-systeem rund is doorgekomen.
Voor zover er sprake is van een mismatch tussen Dumeco en CR Delta, mogen de gevolgen daarvan niet voor rekening van appellante komen.
Verweerder heeft slechts selectief informatie ingewonnen, waardoor het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Het onderzoek was erop gericht aan te tonen dat de fout niet aan het systeem van verweerder lag. Uit het onderzoek blijkt niet waar het fout is gegaan. Voor appellante is het onmogelijk de fout boven water te krijgen.
Verweerder hanteert ten aanzien van de termijn van 25 dagen als bedoeld in artikel 2.6, vierde lid, van de Regeling een marge van vijf verwerkingsdagen. Nu deze vijf verwerkingsdagen nergens op zijn gestoeld, kan in het onderhavige geval ook wel een ruimere marge worden aangehouden, zodat de aanvragen toch als tijdig kunnen worden beoordeeld.
Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende gereageerd op de punten en vragen die door appellante onder meer in haar brief van 13 december 2007 heeft gesteld. Het bestreden besluit berust niet op een draagkrachtige motivering.
Appellante heeft de afvoer van de vijf runderen van haar bedrijf op juiste wijze gemeld, zodat in de onderhavige situatie de premie voor deze runderen niet had mogen worden geweigerd.
2.3 Het College is van oordeel dat verweerder voor de vijf runderen terecht geen slachtpremie heeft toegekend. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat CR Delta, die zorg droeg voor de melding van bij Dumeco geslachte runderen, destijds voor de vijf op 12 december 2003 geslachte runderen geen meldingen aan het I&R-systeem rund heeft gedaan. Pas op 21 februari 2004 is een slachtmelding voor deze dieren gedaan. Aangezien aanvragen om slachtpremie ingevolge artikel 2.4b, tweede lid, van de Regeling in verbinding met artikel 35, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999 worden gedaan door de melding van de slacht door (of namens) het slachthuis en deze aanvragen ingevolge artikel 2.6, vierde lid, van de Regeling worden afgewezen als de melding niet binnen 25 dagen na de slacht heeft plaatsgevonden, was verweerder rechtens gehouden deze aanvragen af te wijzen.
Zoals het College reeds eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 12 september 2003 (AWB 02/1344, www.rechtspraak.nl, LJN: AM7774), laat, waar Verordening (EG) nr. 2342/1999 de lidstaten de mogelijkheid biedt toe te staan dat de melding door het slachthuis als aanvraag wordt beschouwd, artikel 2.4b, tweede lid, van de Regeling een aanvrager geen andere keus dan de aanvraag te laten indienen door het slachthuis. Derhalve is de aanvrager niet zelf in de gelegenheid om onvolkomenheden in de voor hem ingediende aanvraag te voorkomen, terwijl hij wel het risico draagt dat zulke onvolkomenheden ertoe leiden, dat de aangevraagde premie niet (volledig) wordt uitbetaald. Het College is van oordeel dat dit door de regelgever vastgestelde systeem voor de producenten niet onredelijk bezwarend is en dat de daarmee samenhangende risico's voor de toekenning van slachtpremie als normale bedrijfsrisico's voor de betrokken producenten kunnen worden aangemerkt. Anders dan appellante wil, komen de bij Dumeco of CR Delta gemaakte fouten bij de slachtmelding dan ook in die zin voor rekening van appellante, dat aan haar voor de vijf runderen geen slachtpremie kan worden toegekend.
Het College deelt niet appellantes stelling dat de vijf verwerkingsdagen die verweerder hanteert ten aanzien van de termijn van 25 dagen als bedoeld in artikel 2.6, vierde lid, van de Regeling, nergens op zijn gestoeld. Aangezien ten tijde van belang in het I&R-systeem rund als melddatum de datum van verwerking van de melding werd geregistreerd in plaats van de werkelijke datum van melding, heeft verweerder de gedragslijn gehanteerd dat een melding alleen dan te laat is gedaan, indien de vastgestelde termijn, vermeerderd met vijf zogenaamde verwerkingsdagen, werd overschreden. Deze gedragslijn was gebaseerd op de praktijk waarbij uiterlijk binnen vijf dagen na de melding tot registratie hiervan werd overgegaan (zie ook de uitspraak van het College van 12 februari 2008, AWB 04/307, www.rechtspraak.nl, LJN: BC5642). Er is reeds geen reden om in dit geval van deze gedragslijn af te wijken en van meer verwerkingsdagen uit te gaan, nu vaststaat dat het probleem hier niet ligt in de onjuiste registratie van de melddatum, maar van te late slachtmeldingen.
Het College ziet geen grond voor het oordeel dat het thans bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een draagkrachtige motivering. Nu uit het onderzoek is gebleken dat voor de vijf runderen niet tijdig aanvragen zijn ingediend, is voor deze runderen terecht slachtpremie geweigerd. De vraag of er ten aanzien van de slachtmelding van deze vijf runderen bij Dumeco dan wel bij CR Delta fouten zijn gemaakt, is voor de beslissing op de aanvragen van deze runderen niet relevant. Verweerder was dan ook niet gehouden hiernaar nader onderzoek te doen. Er is geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit niet op een draagkrachtige motivering berust.
Dat appellante voor de vijf runderen de meldingen van afvoer van haar bedrijf tijdig heeft gedaan, kan haar niet baten. Deze afvoermeldingen kunnen immers niet afdoen aan het feit dat de slachtmeldingen, en daarmee de aanvragen om slachtpremie, niet tijdig zijn gedaan.
2.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
3. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2010.
w.g. E.J.M. Heijs w.g. F.W. du Marchie Sarvaas