ECLI:NL:CBB:2010:BO5685

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
17 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09/1398
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Verordening (EG) nr. 104/2000Art. 3 Regeling werkprogramma’s producentenorganisaties visserij- en aquacultuursector
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing financiële steun wegens ontbreken werkprogramma producentenorganisatie visserij

Appellante, een producentenorganisatie in de visserijsector, vroeg financiële steun aan voor interventiemaatregelen in 2008. Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij niet beschikte over een goedgekeurd werkprogramma, zoals vereist op grond van Verordening (EG) nr. 104/2000 en de Regeling werkprogramma’s producentenorganisaties visserij- en aquacultuursector.

Appellante maakte bezwaar tegen de afwijzing, maar dit bezwaar werd door verweerder ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellante beroep in bij het College van Beroep. Zij voerde aan dat het nalaten van het opstellen van het werkprogramma een vergissing was en dat het uitsluiten van de steun een zware financiële consequentie had. Tevens stelde zij dat verweerder haar had moeten informeren over het ontbreken van het werkprogramma en de gevolgen daarvan.

Het College oordeelde dat het ontbreken van het werkprogramma een duidelijke voorwaarde is voor het verkrijgen van steun en dat de regelgeving geen hardheidsclausule bevat om hiervan af te wijken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Het College zag geen aanleiding tot het opleggen van proceskosten aan verweerder.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een werkprogramma, waardoor geen financiële steun wordt toegekend.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 09/1398 17 november 2010
5151 Regeling werkprogramma's producentenorganisaties
visserij en aquacultuursector
Uitspraak in de zaak van:
A U.A., te B, appellante,
gemachtigde: C, voorzitter van appellante,
tegen
de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,
gemachtigde: A.C. Beemster, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.
1. De procedure
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 september 2009.
Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen een besluit van 12 mei 2009, waarbij verweerder appellantes aanvraag voor financiële steun in verband met het nemen van interventiemaatregelen heeft afgewezen, ongegrond verklaard.
Bij brief van 30 november 2009 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.
Op 6 oktober 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden het standpunt van partijen hebben toegelicht.
2. De grondslag van het geschil
2.1 Voor de beoordeling van het onderhavige geschil zijn de volgende wettelijke voorschriften van belang.
Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (hierna: de Verordening) bepaalt in artikel 9 dat Pro een producentenorganisatie aan het begin van ieder visseizoen een werkprogramma voorlegt aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die dat werkprogramma moeten goedkeuren. Dat werkprogramma dient – samengevat – de volgende elementen te bevatten: een afzetstrategie, een visplan, een productieplan en de bijzondere maatregelen en sancties. Verder bepaalt dit artikel in het derde lid onder a, dat als wordt nagelaten het werkprogramma op te stellen, de producentenorganisatie voor het betreffende visseizoen geen financiële steun voor interventiemaatregelen ontvangt.
De Regeling werkprogramma’s producentenorganisaties visserij- en aquacultuursector (hierna: de Regeling), bepaalt in artikel 3 (onder meer) dat een producentenorganisatie binnen zeven weken na het begin van het visseizoen het werkprogramma ter goedkeuring voorlegt aan de Minister en dat deze het werkprogramma binnen twaalf weken na het begin van het visseizoen goedkeurt.
2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Appellante heeft met het formulier Interventieregeling vis voor het jaar 2008 financiële steun gevraagd voor het uit de markt nemen van door haar leden aangevoerde vis.
- In het besluit van 12 mei 2009 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen omdat appellante niet voldoet aan de voorwaarde dat zij moet beschikken over een door verweerder goedgekeurd werkprogramma.
- Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.
- Dat bezwaar heeft verweerder bij besluit van 25 september 2009 ongegrond verklaard.
3. Het bestreden besluit
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat appellante op grond van de Verordening gehouden is een werkprogramma op te stellen en dat zij geen financiële steun voor interventiemaatregelen ontvangt als zij dat nalaat. Met het insturen van het visplan is niet voldaan aan de voorwaarde om een werkprogramma op te stellen. Een werkprogramma omvat immers meer dan alleen een visplan. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Appellante heeft daartoe gewezen op het overleg met het ministerie van verweerder waarin is gesproken over het integreren van het visplan en het werkprogramma. Verweerder is van mening dat appellante daaruit niet heeft mogen concluderen dat zij kon volstaan met de indiening van een visplan.
Het klopt dat verweerder met ingang van het seizoen 2008 geen herinneringen meer heeft gestuurd voor het indienen van het werkprogramma. Het vereiste werd bij betrokkenen bekend verondersteld. Hoewel het wellicht zorgvuldiger was geweest om betrokkenen vooraf te informeren over het feit dat geen herinnering meer zou worden verstuurd, laat dit onverlet dat appellante verantwoordelijk is voor een tijdige indiening van het werkprogramma. Nu appellante eerder ook aanvragen heeft ingediend, mag worden verondersteld dat appellante bekend is met de voorwaarden en verplichtingen waaronder de steun wordt verleend.
4. Standpunt appellante
Appellante heeft in beroep het volgende aangevoerd. Er is sprake van een organisatie die goed werk verricht. Zij heeft te maken met ingewikkelde regelgeving. Er is inderdaad een fout gemaakt. Het werkprogramma is niet opgesteld en dat had wel moeten gebeuren. Appellante vindt dat zij voor dit nalaten nu wel erg hard wordt “gestraft”. Het is immers een behoorlijke financiële aderlating voor appellante als zij deze steun - ruim € 16.000,= - niet ontvangt. Een en ander had voorkomen kunnen worden als verweerder net als in voorgaande jaren een herinnering had gestuurd.
Ter zitting heeft appellante daar nog aan toegevoegd dat de controleverplichting voor verweerder zoals die is neergelegd in artikel 9 van Pro de Verordening ook impliceert dat verweerder betrokkenen er vroegtijdig op wijst dat niet voldaan is aan de voorwaarden van het opstellen van een werkplan en de gevolgen daarvan. Als verweerder dat niet heeft gedaan, dan zou uitsluiting van steun niet mogen volgen.
5. Beoordeling van het geschil
5.1 In geschil is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor financiële steun voor interventiemaatregelen, omdat zij geen werkprogramma voor het betreffende visseizoen heeft opgesteld.
5.2 Niet in geschil is dat appellante heeft nagelaten een werkprogramma voor het visseizoen 2008 – het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft – op te stellen en ter goedkeuring voor te leggen aan verweerder.
Gelet op het ontbreken van het werkprogramma alsmede de in artikel 9, derde lid, onder a van de Verordening neergelegde gevolgen voor de financiële steun bij het ontbreken van een werkprogramma heeft verweerder zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat het verzoek om financiële steun voor genomen interventiemaatregelen zoals door appellante is gedaan, moet worden afgewezen. Dat er - zoals appellante stelt - per ongeluk een fout is gemaakt en het uitsluiten van steun een behoorlijke financiële aderlating is, leidt niet tot een andere conclusie. Daarbij neemt het College in aanmerking dat de Verordening noch de Regeling een hardheidsclausule bevat op grond waarvan bij het ontbreken van een werkprogramma toch financiële steun kan worden toegekend. Anders dan appellante veronderstelt, bestaan er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat uitsluiting van steun op grond van artikel 9 van Pro de Verordening achterwege zou moeten blijven als verweerder niet heeft gewezen op het ontbreken van een werkplan en de gevolgen daarvan.
5.3 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
6. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. M. Munsterman, mr R.C. Stam en mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010.
w.g. M. Munsterman w.g. M.J. van Veen