ECLI:NL:CBB:2011:BR3068
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boetebepaling NMa op basis van aanbestedingsomzet 2001 in bouwfraudezaak
Deze zaak betreft het hoger beroep van A B.V. tegen een boetebesluit van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) in het kader van het bouwfraudeonderzoek. De NMa had een boete opgelegd wegens deelname aan een kartel in de burgerlijke en utiliteitsbouwsector over de periode 1998-2001. De kern van het geschil betrof de bepaling van de boetegrondslag, namelijk de aanbestedingsomzet 2001.
Appellante voerde aan dat de boetegrondslag uitsluitend mocht worden gebaseerd op de omzet van in 2001 opgeleverd werk, conform artikel 7:758 BW Pro, en dat de NMa ten onrechte ook omzet had meegenomen die betrekking had op werk dat pas in 2002 was opgeleverd maar toch in de jaarrekening 2001 was verantwoord. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat de NMa terecht was uitgegaan van de in de jaarrekening verantwoordde omzet.
Het College van Beroep bevestigt deze uitspraak. Het oordeelt dat de NMa binnen haar beleidsvrijheid de aanbestedingsomzet 2001 als boetegrondslag mag hanteren en dat het uitgangspunt van de jaarrekening 2001 een objectief en werkbaar criterium is. Het beroep op het legaliteits- en lex certa-beginsel faalt omdat de NMa voldoende duidelijkheid heeft gegeven over de definitie van aanbestedingsomzet en de wijze van berekening. Het College acht het redelijk dat de NMa uitgaat van de juistheid van de jaarrekening, tenzij een correctie is aangebracht, wat hier niet het geval was. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boetegrondslag op basis van de aanbestedingsomzet 2001 zoals verantwoord in de jaarrekening wordt bevestigd.