ECLI:NL:CBB:2011:BU3159
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing superheffing vetmelker en negatieve vetcorrectie
Appellanten, melkveehouders met een melkquotum en een referentievetpercentage, maakten bezwaar tegen een superheffing opgelegd door het Productschap Zuivel vanwege overschrijding van het melkquotum in de heffingsperiode 2007/2008. De superheffing was gebaseerd op een beperking van de negatieve vetcorrectie ingevoerd door Verordening (EG) nr. 595/2004, waardoor appellanten minder melk heffingvrij konden leveren.
Appellanten voerden aan dat deze beperking onrechtmatig was omdat zij in strijd zou zijn met eerdere Europese regelgeving, het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Zij stelden dat zij geen gebruik hadden gemaakt van misbruik van de regeling en dat de maatregel een excessieve last voor hen betekende.
Het College oordeelde dat de beperking van de negatieve vetcorrectie een geldige basis heeft in de Europese regelgeving en dat het niet aan verweerder is om deze buiten toepassing te laten. Het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel zijn niet geschonden omdat marktdeelnemers geen recht mogen ontlenen aan het handhaven van een situatie die door gemeenschapsinstellingen kan worden gewijzigd. Ook de vermeende schending van artikel 1 EP Pro EVRM werd verworpen omdat de maatregel niet manifest onredelijk is.
Daarmee verklaarde het College het beroep ongegrond en bevestigde het de rechtmatigheid van de superheffing en de toepassing van de beperkte negatieve vetcorrectie. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de superheffing wegens beperkte negatieve vetcorrectie wordt ongegrond verklaard.