ECLI:NL:CBB:2011:BV1051
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Ondernemerschap van dochterondernemingen in boomkwekerijheffing bevestigd
Appellanten, bestaande uit meerdere B.V.'s binnen een holdingstructuur, waren in beroep gegaan tegen een besluit van het Productschap Tuinbouw waarin zij vakheffingen opgelegd kregen op grond van de Verordeningen PT Vakheffing Boomkwekerijproducten 2003-2007. Verweerder had de bezwaren deels gegrond verklaard, maar stelde dat elke B.V. afzonderlijk heffingsplichtig was.
Appellanten voerden aan dat enkel de holdingmaatschappij als ondernemer kon worden beschouwd, omdat zij het beleid bepaalt en voor haar rekening en risico handelt. De dochterondernemingen zouden niet zelfstandig zijn en daarom niet als ondernemer in de zin van de Verordening kunnen worden aangemerkt.
Het College overwoog dat de Verordeningen onder ondernemer verstaan de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin het kweken of de handel in boomkwekerijproducten wordt uitgeoefend. Uit de feiten bleek dat elke B.V. zelfstandig naar buiten trad, eigen facturen aan derden uitreikte, zich richtte op aparte afzetmarkten en eigen briefpapier gebruikte.
Daarom concludeerde het College dat elke dochteronderneming zelfstandig een onderneming drijft en terecht afzonderlijk heffingsplichtig is. De aanwezigheid van een holdingstructuur doet hieraan niet af. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellanten wordt ongegrond verklaard; de dochterondernemingen zijn ieder zelfstandig heffingsplichtig.