4. De standpunten van partijen in hoger beroep
4.1 Appellante stelt zich op het standpunt dat NMa de boetegrondslag ten onrechte heeft gebaseerd op de omzet die zij in 2001 heeft behaald met de uitvoering van het werk “Onderhoudssteunpunt Stroe”. Bij de opdrachtverlening van dat werk is volgens appellante geen sprake geweest van een reële aanbesteding. De opgelegde boete is daarmee gebaseerd op omzet die niet als aanbestedingsomzet kan worden gekwalificeerd.
Appellante is geen bedrijf dat op structurele basis meedoet aan aanbestedingen. Zij heeft een uniek bouwsysteem ontwikkeld, namelijk het E. Dat systeem is zo uniek, dat het zich niet leent voor traditionele aanbestedingen. Ter zake van het project “Onderhoudssteunpunt Stroe” heeft appellante in juni 2000 al informatie over het project ontvangen en een ontwerp gemaakt. Om die reden kan er van een zuivere aanbesteding geen sprake meer zijn. Zowel appellante als de opdrachtverlener ging er van uit dat dit project als enkelvoudige opdracht aan appellante zou worden opgedragen. De opdrachtverlener heeft kort voor de start van het werk en het geven van de schriftelijke opdracht aan appellante kennelijk ingezien dat hij op grond van zijn eigen beleidslijnen moest aanbesteden. Direct daarna zijn twee andere partijen uitgenodigd om in te schrijven op het werk. Enige kans van slagen maakten deze partijen niet, gezien de korte termijn die zat tussen de datum waarop deze ondernemingen werden uitgenodigd om in te schrijven, 12 september 2000, en de uiterste datum van inschrijving, 29 september 2000. Het project betrof namelijk een design and construct opdracht. Dit betekent dat de aannemer binnen het korte tijdsbestek dat ervoor stond, met de architect, de installateur en de calculator om de tafel moest gaan zitten om een ontwerp te maken en dit vervolgens moest vertalen in een prijsaanbieding. Dit is een onmogelijke termijn, zeker nu een inschrijver geen enkele garantie van de welstandscommissie zou krijgen. Voor appellante speelde dit nadeel niet, omdat zij reeds vanaf juni 2000 bij het project betrokken was. Dit vertaalt zich ook in de inschrijvingen die uiteindelijk zijn gedaan. Van de twee andere ondernemingen die waren uitgenodigd om in te schrijven heeft de ene onderneming überhaupt niet ingeschreven en heeft de andere een aanbieding gedaan die 80 procent boven het beschikbare budget lag.
Na de uiterste inschrijfdatum is er nog enige correspondentie geweest tussen appellante en de opdrachtverlener over de van toepassing zijnde voorwaarden. Vervolgens heeft de opdrachtverlener, nog voordat het werk was gegund, appellante de nadere opmerkingen van de welstandscommissie ten aanzien van het werk van appellante toegestuurd. Twee weken later werd het werk formeel aan appellante opgedragen. Uit het voorgaande blijkt dat van een aanbesteding in de zin van de Boetebekendmaking geen sprake is geweest.
4.2 NMa stelt zich op het standpunt dat de door appellante aangevoerde omstandigheden, voor zover deze zich hebben voorgedaan, niet het karakter van de aanbesteding kunnen wegnemen. Dat appellante wellicht een voorsprong heeft gehad of gevoeld op de overige ondernemingen doet niet af aan het feit dat er een aanbesteding heeft plaatsgevonden in de zin van de Boetebekendmaking, hetgeen overigens door appellante ook niet is betwist. Uit het dossier en de door appellante zelf overgelegde producties blijkt duidelijk dat de provincie een aanbesteding heeft uitgeschreven en gehouden. Zo blijkt uit het proces-verbaal van aanbesteding dat er in de ogen van de opdrachtverlener sprake was van een aanbesteding. De rechtbank concludeert dan ook dat NMa terecht de aanbestedingsomzet uit het project “Onderhoudssteunpunt Stroe” tot de betrokken aanbestedingsomzet 2001 heeft gerekend. De stelling van appellante dat zij een uniek bouwsysteem hanteert dat zich niet leent voor aanbestedingen - wat daar verder van zij - heeft haar, zoals de rechtbank terecht onderschrijft, niet belet deel te nemen aan aanbestedingen.
De aanbestedingsomzet 2001 bestaat in het onderhavige geval uitsluitend uit de omzet behaald met het project “Onderhoudssteunpunt Stroe”. NMa acht de daarop gebaseerde boete evenredig in verhouding tot de deelname en bijdrage van appellante aan het systeem van vooroverleg. Mocht het College in weerwil van het vorenstaande van oordeel zijn dat in de voorliggende zaak geen sprake is van een aanbesteding, dan dient dit naar het oordeel van NMa niet tot gevolg te hebben dat er geen boete aan appellante wordt opgelegd. Dit zou onevenredig zijn, temeer omdat appellante haar deelname aan het vooroverleg volmondig heeft erkend. Derhalve is een boete gepast, ook als deze niet kan worden afgeleid uit de Aanbestedingsomzet 2001.