ECLI:NL:CBB:2012:BW3820
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestuursdwang inbewaringneming hond wegens dierenwelzijn
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken om bestuursdwang toe te passen door een hond in bewaring te nemen vanwege ernstige tekortkomingen in verzorging en huisvesting. De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot voorlopige voorziening behandeld en vastgesteld dat de hond extreem mager was, geen water had en vlooien had, wat wijst op het onthouden van de nodige verzorging.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de overtredingen van artikel 36 en Pro 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren voldoende waren vastgesteld op basis van toezichtrapporten en dierenartsenverklaringen. Verzoeker heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de hond ernstig verwaarloosd was. Ook de stelling dat de vermagering een andere oorzaak had dan ondervoeding werd niet aannemelijk gemaakt.
De spoedeisendheid van de situatie rechtvaardigde de onmiddellijke toepassing van bestuursdwang. Verzoeker had geen termijn gekregen om zelf de verzorging op zich te nemen, maar dit werd niet als onrechtmatig beoordeeld omdat de hond intensieve verpleging nodig had. Het verzoek tot voorlopige voorziening is daarom afgewezen en de kosten van de opvang blijven voor rekening van verzoeker.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de bestuursdwang is afgewezen.