ECLI:NL:CBB:2012:BX6787
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over heffingsplicht consumptie-ijsbereidingsbedrijf
Verweerder legde appellante, een ijsboerderij die op ambachtelijke wijze ijs bereidt, een heffing op op grond van de Heffingsverordening Hoofdbedrijfschap Ambachten 2010. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij niet als ambachtelijk ijsbereider moest worden aangemerkt omdat het bereiden en verkopen van ijs slechts een kleine nevenactiviteit betreft en dat andere ijsboerderijen geen heffing kregen, wat volgens haar leidde tot willekeur en strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Het College overwoog dat het Instellingsbesluit het consumptie-ijsbereidingsbedrijf definieert als het bereiden van consumptie-ijs, ongeacht de omvang van de activiteit. Appellante oefent deze activiteit uit, waardoor zij onder de werkingssfeer van verweerder valt en heffingsplichtig is. De hoofdactiviteit van appellante (veehouderij) doet hieraan niet af.
Verder stelde het College vast dat zes van de zeven door appellante genoemde ijsboerderijen wel degelijk een heffing opgelegd hadden gekregen en dat de zevende alsnog een heffing zou krijgen. Appellante had onvoldoende onderbouwing geleverd voor haar stelling van willekeur. Daarom verklaarde het College het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de heffing wordt ongegrond verklaard en de heffing blijft van kracht.